Grote emoties met het chequeboek op schoot

Vier nederige interviewers zaten gisteravond bij de ARD tegenover paus Benedictus XVI. Dankzij hen kwam ik na een uur te weten dat de ‘Heilige Vader’ de dingen van de vrolijke kant probeert te zien. Een goede reden om naar de Nederlandse zenders over te schakelen, omdat daar ook altijd zoveel aandacht is voor de vrolijke kant van het leven. Zoals in het NCRV-programma De Zingende Zaak, waarin twee bedrijven of organisaties het op zang- en dansgebied tegen elkaar op mogen nemen. Maar toen ik politieagent Achmed zich tegenover een bruidspaar zag uitsloven om het Woerdense politiekorps op de christelijke zang- en danswedstrijd te mogen vertegenwoordigen, haakte ik al snel af en zapte naar Nederland 3.

Toch Leon de Winter bij Zomergasten dus. En het was geen straf. Nee, het was een Zomergastenaflevering zoals ik er in geen jaren een gezien heb. Het begon al goed toen De Winter een gedichtje voorlas: ‘Ik wacht hier op jou/ ook als je naast me ligt...’ Wat krijgen we nu, dacht ik. Maar vervolgens werd de tekst gezongen door Bløf – het eerste fragment van de avond. „Ik wil losjes beginnen”, zei De Winter, om de „hoop snobs en intellectuelen” te plagen. En vervolgens klaagde hij erover dat het in de serieuze literatuur zo vaak ontbreekt aan grote emoties, die je in de popmuziek wel hebt.

Grote emoties zouden de rest van de avond bepalen. Zowel in de door ex-filmmaker De Winter briljant uitgekozen en becommentarieerde fragmenten (bijvoorbeeld uit Stiefbeen en Zoon , Wim Wenders’ Im Lauf der Zeiten Tarkovski’s Andrej Roebljov ), als in de gesprekken met interviewer Joris Luyendijk, die na een aftastend begin zijn goedgebekte, soms pathetische gast al gauw met kritische vragen bestookte.

Na een fragment over schrijver Isaac Bashevis Singer belandde het gesprek daar waar je het kon verwachten: De Winters joodse identiteit en de vraag hoe die door Hitler is bepaald. Het meeste was bekend, al wist het me toch te fascineren. De Winter manifesteerde zich nu als een betrokken mens die de wereld wil verbeteren, volgens Luyendijk weliswaar vanuit zijn leunstoel met zijn chequeboek op schoot, maar toch. Het werd geïllustreerd met een fragment uit de Britse documentaire Unholy War , over een paar Afghaanse meisjes wier leven bedreigd wordt door de oprukkende Talibaan. De Winter, pathetisch: „We moeten die meisjes redden.” Luyendijk stelde zich veel cynischer op door te stellen dat het onmogelijk is om alle problemen in de wereld op te lossen. En juist dat verschil van mening over de maakbaarheid van de samenleving zorgde ervoor dat het gesprek steeds spannender werd. Toen Luyendijk zijn gast verweet zijn columns over het Midden-Oosten niet te baseren op eigen ervaringen, maar op wat hij in boeken en kranten las, werd de stemming zelfs even grimmig, wat nog boeiender televisie opleverde. De Winter, tot slot: „Ik ben geen journalist, ik ben primair een verhalenverteller.” Dat laatste deed hij drie uur lang met, zoals Luyendijk aan het eind vaststelde, kwetsbaarheid en ironie. Die ironie werd geïllustreerd met een fragment uit The Sopranos, waarin Tony Soprano na een versgepleegde moord tegen een maat foetert: „Er zit mayonaise op je kin.”

Michel Krielaars is plv. chef van de kunstredactie.