Effectieve techniek bezorgt Dyson de zege

Het KLM Open kreeg een mooie ontknoping. De Engelsman Simon Dyson won in een play-off, de Nederlandse golfers klaagden ach en wee over het putten.

Is Simon Dyson een betere golfer dan Maarten Lafeber, de Nederlandse nummer 1? Je zou het op het eerste gezicht niet zeggen. Dyson heeft een swing die allesbehalve fraai oogt. Hij gooit zijn hele lichaam in de swing als het ware tegen de bal aan. Hij eindigt de swing vaak uit balans, iets waar de gemiddelde golfleraar van gruwelt. Dysons swing verdient dus niet de schoonheidsprijs, maar zijn techniek is wel uiterst effectief.

Eerder dit jaar boekte hij zijn eerste toernooizege op de European Tour (Indonesian Open), gisteren versloeg hij in een play-off Richard Green, in 2004 ook al tweede in het Dutch Open. Dyson verdiende op de Kennemer 266.660 euro. Op de jaarranglijst bezet hij nu de veertiende plaats met 912.991 euro verdiend prijzengeld. De 28-jarige Engelsman eindigde na 72 holes samen met Green op 270 slagen (-14). Op de eerste hole van de play-off, de par-4 achttiende, maakte Dyson een glibberige drie meter putt – naar beneden met flink wat break van rechts naar links – voor birdie en de overwinning.

De Nederlandse golfers zullen de winnende putt van Dyson met jaloerse blikken in de hole hebben zien verdwijnen. Maarten Lafeber, die de cut op een slag miste, gaf na zijn tweede ronde een persconferentie waar vooral wanhoop uit sprak. Zijn relaas viel in één, voor een topgolfer tamelijk dodelijk zinnetje, samen te vatten: „Ik kan niet putten.” De beste golfer van Nederland was zo aangeslagen na wéér een toernooi waarin het op de greens van geen kant liep, dat hij zijn heil waarschijnlijk gaat zoeken in een belly-putter, een verlengde putter die je tegen de buik positioneert. „Ik vind die lange putters eigenlijk vreselijke dingen, maar ik móet iets anders proberen. Ik putt al acht jaar heel zwak, mentaal wordt het steeds moeilijker op te brengen. Het is dat ik gezegend ben met een erg goed lang spel, anders had ik al lang een andere baan moeten zoeken.”

Dat de putt-problemen van Lafeber voor een groot deel een mentale oorzaak hebben, is evident. Een topgolfer die hardop ‘ik kan niet putten’ zegt, is rijp voor de sloop. Misschien dat een nieuw mantra uitkomst kan brengen: ‘Ik ben een fantastische putter’, en dat honderd keer dagelijks hardop zeggen.

Voor Robert-Jan Derksen is dat misschien ook geen gek idee. Hij was met een 47ste plaats de beste Nederlander in het Dutch Open. Vrolijk werd hij er niet van. Derksen sprak na het toernooi van „weer een zware bevalling”. Hij traint harder dan ooit, heeft een serieus begeleidingsteam (twee swingcoaches, mentalcoach, puttingcoach) maar al die investeringen leveren vooralsnog weinig op. Ook bij de tweevoudig winnaar op de European Tour (Dubai Desert Classic 2003, Madeira Island Open 2005) is een onwillige putter de voornaamste reden van het uitblijven van nieuwe successen. „Het slechte putten drukt een negatieve stempel op de rest van mijn spel”, klonk het somber. Omdat hij weinig vertrouwen heeft op de greens, laat Derksen veel putts te kort. Dat gaat veranderen, verzekerde hij. „Ik ga meer risico nemen met putten, liever negen bogeys en negen birdies in een ronde dan achttien saaie pars. Ik verlang naar een ‘yes-gevoel’ op de greens, de kick van een lange putt die in de hole valt.”

Naast Derksen overleefden van de zeventien Nederlandse golfers die aan de start verschenen, alleen Niels Kraaij (66ste) en Tim Sluiter (53ste) de schifting na de eerste twee ronden. Sluiter zorgde voor een lichtpuntje. Hij is amateur en pas 17 jaar oud. Sluiter is ontegenzeggelijk een groot talent. Zijn spel oogt redelijk volwassen en hij lijkt overtuigd van zijn eigen kunnen. Sluiter heeft een prettig soort bravoure.

Sluiter zong helaas ook al een deuntje mee in het koor van Nederlandse golfers die mekkeren over het putten. „Dit toernooi heb ik nauwelijks een putt geholed. Ik moet de komende tijd serieus aan mijn putten gaan werken.” Sluiter had wel een verklaring voor de aanhoudende Dutch disease op de greens. „De conditie van de greens op de Nederlandse golfbanen is doorgaans zo slecht, daarop leer je nooit goed putten.”

Sluiter heeft absoluut een punt. Op de langzame, vaak hobbelige Nederlandse greens moet je een flinke tik geven tegen de bal. Op de snellere greens op de European Tour moet je met gevoel stroken, de bal laten uitrollen, dat vergt een ander soort techniek. Sluiter heeft zijn hoop gevestigd op een kunstgras green. „Mijn vader heeft er onlangs een in de tuin laten aanleggen. De kwaliteit van kunstgras greens wordt steeds beter, ik zal er veel op gaan trainen.”

De greens van de Kennemer lager er schitterend bij tijdens het Dutch Open, zelfs de hoosbuien van de eerste twee dagen konden daar geen verandering in brengen. De spelers waren unaniem lovend over de baan. En terecht: de Kennemer is een topbaan en een Open kampioenschap op een seaside course is toch het mooiste wat er is (vraag het maar aan de Britten).

Klachten bleven hoe dan ook niet uit. Vooral de plek van de achttiende green, in het midden van de baan, ver weg van het clubhuis, vonden de spelers geen succes. Dat zal volgend jaar misschien anders zijn. Dat het Dutch Open in 2007 weer op de Kennemer gespeeld gaat worden, lijkt zo goed als zeker.