Een al te gewone, zelfs een fletse Dreigroschenoper

Berlijn heeft dit weekeinde een nieuwe Dreigroschenoper gekregen. Maar na de première klonk boegeroep voor regisseur Klaus Maria Brandauer.

Het was de première van het jaar, aldus de Duitse kranten – en daarom kon de datum niet meer worden veranderd. De nieuwe versie van de Dreigroschenoper, de meesterlijke moraliteit van Bertolt Brecht en Kurt Weill, moest en zou vrijdagavond worden gepresenteerd, drie dagen voor de vijftigste sterfdag van Brecht die dit jaar alom wordt herdacht. Ondanks het feit dat het Admiralspalast aan de Friedrichstrasse in Berlijn nog volop naar kalk en verf rook. Pas donderdagochtend kon de bouwinspectie een fiat geven. De renovatie had veel langer geduurd dan de bedoeling was. Een maand lang moesten de acteurs hun repetitietijd in het theater delen met de bouwers. En het gevolg is duidelijk: de voorstelling leek dit weekeinde nog lang niet klaar.

Het statige Admiralspalast uit 1911, in het sjofele deel van de Friedrichstrasse vlak bij het gelijknamige station, stond tien jaar leeg. Nadat alle andere theaters in het buurt tijdens de oorlog waren weggebombardeerd, was het door de Oost-Duitse leiders geannexeerd voor propagandabijeenkomsten en operette- en musicalvermaak. Maar na de val van de muur had het geen functie meer. Nu is het paleis – een wonderlijke combinatie van bladgoud en functionaliteit – gekocht door een groep particuliere investeerders die het voor 14,5 miljoen euro weer in ere hebben hersteld. En ook de eerste productie, deze Dreigroschenoper, is een particuliere onderneming: producent Lukas Leuenberger heeft 3,5 miljoen euro bijeengebracht voor ruim veertig voorstellingen.

Geen wonder dat Leuenberger het in een sterrenbezetting heeft gezocht. De voornaamste attracties zijn regisseur Klaus Maria Brandauer (wereldberoemd sinds Mephisto) en de zanger Campino, het hoogst populaire middelpunt van de Duitse punkband Tote Hosen, als Macheath alias Mackie Messer. Op veel publiciteitsfoto’s staan ze samen als het uithangbord van de show. Er moet hard worden gewerkt om de zaal elke avond vol te krijgen; het Admiralspalast heeft 1700 zitplaatsen.

Brandauer en Campino wekten alom nieuwsgierigheid. Welke visie zou de regisseur op dit Songspiel laten zien? En zou Campino, die in Hollandse ogen een kruising lijkt tussen Rick de Leeuw en Huub van der Lubbe, ook als acteur overeind blijven?

De grootste teleurstelling is dan ook dat Brandauer niets opmerkelijks laat zien. Dat heeft misschien te maken met de strenge eisen die de erven Brecht en Weill stellen aan ensceneringen van de Dreigroschenoper. Maar dan nog blijft de vraag of het allemaal zo flets, zo zonder flair had gemoeten. In deze integrale uitvoering laten de acteurs elkaar veel te netjes uitspreken, en veel te vaak wordt er weer een half gordijn over de hele breedte van het podium getrokken om een changement af te dekken, terwijl het orkest de tijd vult met een instrumentaal stukje Weill. Dat maakt de voorstelling bovendien onnodig lang: ruim 2,5 uur zonder pauze.

Verder heeft Brandauer zijn spelers nogal statisch op het vaak halfverduisterde toneel geplaatst, waar ze in hun donkere Weimar-kostuums bijna wegvallen tegen de bruin- en zwarttinten van de interieurs. De enige visuele afleiding zijn de door geel brandende lampjes omrankte lijsten die soms uit de nok neerdalen en blijven hangen ter hoogte van degene die op dat moment een lied te zingen heeft – als de letterlijke omlijsting van een solist.

Campino, die eigenlijk Andreas Frege heet, speelt een charmante Mackie Messer, in wiens oogopslag echter zelden of nooit iets van gevaar blikkert. Maar zijn air als popidool redt hem; hij maakt volstrekt aannemelijk waarom er zo veel vrouwen door hem worden aangetrokken, als muggen door het licht. En hij heeft een fikse rockstem, die wel raad weet met cynische wetmatigheden als „Nur wer im Wohlstand lebt, lebt angenehm”.

De beste Brecht en Weill-zang komt echter van Birgit Minichmayr, wier Polly navrant, schel en sentimenteel tegelijk, dagdroomt over het schip met de acht zeilen dat haar op een dag zal komen weghalen uit haar armzalige bestaan. En het grootste succesnummer, het lied dat als Morität werd geschreven maar veel bekender is als Mackie Messer of Mack the Knife, klinkt bij de snerpende straatzanger in deze voorstelling precies zoals het moet klinken: sinister en onheilspellend. Terwijl het dertienkoppige orkestje, afkomstig uit de fameuze filmstudio’s van Babelsberg, de schuivende, stuiterende syncopen van Weill alle recht doet.

De spelers werden vrijdagavond dan ook stormachtig toegejuicht, maar Brandauer kreeg boegeroep naar zijn hoofd. Voor veel Duitse kranten was het vervolgens minstens zo belangrijk dat de nu 102-jarige charmezanger Johan Heesters na de voorstelling nog een verrassingsconcert gaf – leunend tegen de vleugel, maar met een stem als een klaroen. De kritieken die intussen verschenen, reppen van een brave, historiserende vertoning die het huidige publiek niet veel te zeggen heeft. „En nu?” schreef Der Tagesspiegel. „Nu hebben we in Berlijn een Dreigroschenoper zonder seks, zonder politiek, zonder misdaad”. De boulevardkrant B.Z. am Sonntag vatte het slechte nieuws op de voorpagina van gisteren in één woord samen: „Dreigroschgenflop”. Maar in de voorverkoop is de investering al terugverdiend.

Admiralspalast, Berlijn, t/m 24/9. Inl. 0049-3047997499, www.die-dreigroschenoper.de