Een afweging tussen kans en houdbaarheid

Na vorige verkiezingen vertrokken vaak prominente politici uit de Kamer, kort nadat ze gekozen waren. Dat wekte wrevel. De partijen willen nu dat wie kandidaat wordt, ook echt in Den Haag blijft.

Met de vaststelling van de advieslijst is het CDA vanavond de eerste partij die helderheid geeft over de kandidaten voor de Tweede-Kamerverkiezingen van 22 november. Het partijbestuur maakt de 75 namen daarop naar verwachting laat in de avond openbaar.

Meest verrassende kandidaat? Ongetwijfeld minister Piet Hein Donner (Justitie). Hij is niet alleen beschikbaar als minister, maar ambieert ook een plek in de Tweede Kamer. Vorige keer stond hij niet op de kandidatenlijst.

Met het vaststellen van de lijsten wordt ook direct duidelijk welke zittende bewindslieden van het kabinet-Balkenende III geen zetel in de Kamer willen. Niet dat daar veel verrassingen bij zitten. De afgelopen dagen maakten diverse politici namelijk al gebruik van het politieke ‘nieuwsvacuüm’ door hun eigen moment te kiezen. Dat varieerde van D66’er Boris Dittrich die zichzelf in de aanbieding deed bij het televisieprogramma Netwerk en zijn opvolger Lousewies van der Laan een dag later in deze krant tot de ministers De Geus (Sociale Zaken, CDA) en Hoogervorst (Volksgezondheid, VVD) die zich op respectievelijk donderdag en zaterdag door De Telegraaf lieten interviewen over hun vertrek uit de politiek.

En daar bleef het niet bij. De staatssecretarissen Ross (Volksgezondheid, CDA) en Schultz van Haegen (Verkeer, VVD) maakten hun vertrek bekend. Schultz van Haegen, die sinds 2002 in Den Haag zit, denkt aan een baan in het bedrijfsleven. Minister Karla Peijs (Verkeer, CDA) wil evenmin door als Tweede-Kamerlid, zij wil naar de Eerste Kamer. Van anderen, zoals de CDA’ers Ben Bot (Buitenlandse Zaken), Agnes van Ardenne (Ontwikkelingssamenwerking) en Cees van der Knaap (Defensie) werd bekend dat ze niet op de kandidatenlijst voor de Kamer wilden gaan staan, maar zich wel beschikbaar houden voor een eventuele ministerspost. Dat geldt overigens ook voor De Geus en Hoogervorst („never say never”). Het woord ‘vertrek’ is relatief.

Het lijkt een opvallende uittocht van oud-bewindslieden, maar in de cyclus van de landspolitiek is het normaal dat bewindslieden na een kabinetsperiode vetrekken.

Iedere keer als er Tweede-Kamerverkiezingen aankomen, moeten Kamerleden en bewindslieden bij zichzelf te rade gaan of ze door willen of niet. Het verschil met voorgaande verkiezingen is dat er deze keer vooraf meer helderheid wordt gegeven over het al dan niet aanblijven. Daarbij speelt de geloofwaardigheid een grote rol, zeggen betrokkenen.

Het CDA heeft met de vertrekkende bewindslieden afgesproken dat ze allemaal hun eigen moment zouden moeten krijgen, zodat niet iedereen in een klap vertrekt. Nu de bewindslieden elk hun moment krijgen, krijgen zij ruimte hun eigen argumenten naar voren te brengen. En om nog een keer op positieve wijze de aandacht op hun regeerperiode te vestigen – zoals De Geus deed in De Telegraaf. Hij kreeg uitgebreid de gelegenheid zijn „geslaagde hervormingen” in de sociale zekerheid nog eens toe te lichten.

Vertrekkende politici gebruiken verschillende argumenten voor hun vertrek. Politieke houdbaarheid bijvoorbeeld, een afweging die bij Hoogervorst en Zalm een rol gespeeld heeft. Beiden zitten al twaalf jaar in de politiek en zijn toe aan wat anders. Hoogervorst, die nog wel campagneleider wordt, zei daarover: „Ik zit nu in een fase van mijn leven dat als ik nog echt iets anders wil, het nog kan.” Een andere afweging die dezer dagen meespeelt is die van de kansberekening. Sommige bewindslieden hebben geen zin in een plek in de Kamer, maar willen wel graag terugkeren als minister. Zij lopen bij een plek op de kandidatenlijst voor de Kamer echter het risico dat hun partij niet gaat regeren – en dan moeten ze ná de verkiezingen alsnog opstappen, met alle verwijten van kiezersbedrog van dien.

Dat gebeurde bijvoorbeeld in 2002, toen de PvdA en de VVD veel zetels verloren. De top van de kandidatenlijst van de PvdA bestond voor het overgrote deel uit oud-bewindslieden, maar kort na de verkiezingen vertrokken er vier. Bij de VVD kwam in 2002 ook een leegloop ook op gang, nadat de verkiezingen verloren waren. Oud-bewindslieden als Loek Hermans, Erica Terpstra en Frank de Grave vertrokken. Eerder, in 1994, zat de toenmalige CDA-fractie na een verlies bij de verkiezingen met een overschot aan onwillige oud-bewindslieden in de fractie, die allemaal ná de verkiezingen een heenkomen zochten.

Dat droeg volgens sommige betrokkenen bij aan de onvrede van de kiezer over de zittende politiek – en dat moet deze keer voorkomen worden. Politici die nu op de lijsten willen, moeten ook echt de bedoeling hebben vier jaar in de Kamer te gaan, is de afspraak. PvdA-leider Bos heeft dat aan al zijn fractiegenoten duidelijk gemaakt toen zij moesten beslissen of ze door wilden.

De kansberekening van CDA’ers en VVD’ers is al ingewikkeld, maar die is nog niks vergeleken met die van hun ex-collega’s van D66. Deze partij staat in de peilingen op twee zetels, wat zou betekenen dat Alexander Pechtold, oud-minister van Bestuurlijke Vernieuwing, maar één collega naast zich zal krijgen. Ex-staatssecretaris Medy van der Laan en ex-minister Brinkhorst hebben deze strijd niet aangedurfd. Zij zijn geen kandidaat.