Cuba is in elk geval geen wanbetaler

Het bedrijfsleven in Miami maakt zich op voor meer handel met een vrijer Cuba waar de zieke Fidel Castro gisteren tachtig werd. Sommige Amerikanen doen er al zaken. „Risico’s nemen durven ze niet.”

Sinds de Cubaanse leider Fidel Castro twee weken geleden de macht overdroeg aan zijn broer Raúl en duizenden Cubanen in Miami de straat opgingen in de hoop op een meer open Cuba, is er eigenlijk niets veranderd voor het Amerikaanse ABC Charters. Nog steeds vliegt het luchtvaartbedrijf twee keer per week van Miami naar Holguín op Cuba. En nog steeds komen er twee volle vluchten per week terug. „De eerste dag heb ik alleen even gebeld of de status quo veranderd was”, zegt directeur Maria Aral van de vliegmaatschappij. „Behalve een paar passagiers die vrezen voor een revolutie is alles hetzelfde.”

ABC Charters is een van de weinige Amerikaanse ondernemingen die zaken mogen doen met Cuba. Hun schaal is verwaarloosbaar. Het bedrijf mag familieleden, journalisten en leden van kerkelijke organisaties vervoeren en heeft tien werknemers.

Maar dat alles kan veranderen wanneer Castro, die gisteren tachtig werd, overlijdt.

De Cubaanse markt is met 11 miljoen inwoners aanzienlijk en zo goed als ongerept. Toch kunnen de in Miami gevestigde analisten en op Cuba gerichte ondernemers weinig anders doen dan oude plannen afstoffen en afwachten. Er is maar weinig concrete informatie vanuit Cuba, al helemaal niet over mogelijk meer economische vrijheid.

„Niets is logischer dan dat een nieuw Cuba zaken doet met Florida”, zegt Guillermo Grenier. De van oorsprong Cubaanse hoogleraar is oud-directeur van het ‘Center for Labor Research and Studies’ aan de Florida International University. De onderbouwing van zijn stelling kent geen complicaties: nergens in de VS is de concentratie buitenlandse banken groter dan in Miami. Hier zitten de Latijns-Amerikaanse hoofdkantoren van concerns als FedEx, Sony en Microsoft en nergens wonen buiten Cuba zoveel Cubanen: 833.000.

Ook geografisch is Florida ideaal. Deze zuidoostelijke punt van de VS ligt slechts 145 kilometer van Cuba en is met de derde haven van het land goed uitgerust voor transport en overslag. Bovendien, zegt Grenier, kent niemand de Cubaanse handelsmores beter dan de Cubanen in de VS. Daar kan op termijn geen Rotterdamse haven of internationaal ingestelde Nederlander tegenop, redeneert hij.

Het Nederlandse voorbeeld is niet zo maar gekozen. Nederland is met bijna een kwart van de markt veruit Cuba’s grootste exportpartner. Daarna volgen Canada en China. Cuba exporteert jaarlijks voor bijna 2 miljard euro en importeert bijna drie keer zoveel.

Toch is Cuba nauwelijks een handelsnatie te noemen. Im- en export maakt slechts 9,1 procent van de economie uit. Er zijn maar vier landen waarvan dit percentage lager is: Birma, Somalië, Noord-Korea en de Verenigde Staten.

De tweetalige advocatuur in Miami staat klaar om uren te schrijven voor immigratiewerk en het opeisen van verloren Cubaans eigendom. De bouwsector hoopt op woningbouw voor de – volgens schattingen van de Amerikaanse immigratiedienst – exodus van ruim een half miljoen Cubanen van Miami naar Cuba. Ondernemingen zoals Coca-Cola en Nike hebben hun handelsmerken al jaren geleden vastgelegd voor het eiland.

De Cubaanse toeristensector heeft groeipotentieel. Vorig jaar was Cuba volgens de Caribbean Tourism Organisation goed voor 2,3 miljoen overnachtingen. Inkomsten: 2 miljard dollar. Canadezen zijn de grootste groep bezoekers. Zij worden – nu nog – aangetrokken door de lage prijzen en de prikkel een bezoek te brengen aan de vijand van Amerika.

Cuba kan een concurrent worden voor Florida. Vooralsnog zijn de toeristeninkomsten van de Amerikaanse staat 31 keer zo groot als die van het eiland.

In 2000 werd het inmiddels 45 jaar oude handelsembargo tussen de VS en Cuba versoepeld. Er kwamen uitzonderingen voor de export van voedsel en landbouwproducten naar Cuba. Vorig jaar exporteerden de VS voor 350 miljoen dollar naar Cuba.

Vooralsnog verloopt het zakelijke verkeer tussen de aartsrivalen in de praktijk maar moeizaam. Neem Splash Tropical Drinks, een van die ondernemingen uit Florida die gebruik maken van de embargo-ontheffingen voor landbouw- en voedingsproducten.

In 2002 organiseerden de VS een handelsbeurs in Havana en Splash won het recht om mixdranken en cola- en sap-concentraten aan het eiland te verkopen. „Ze hebben geen aardbeien, dus die leveren wij maar in concentraatvorm”, zegt mede-eigenaar Craig Jacobs. Het Amerikaanse ministerie van Handel stelt wel de voorwaarde dat Cuba vooraf betaalt. „Voordelig voor ons”, zegt Jacobs. „Wij lopen nu niet het gevaar van nóg een wanbetaler erbij.”

Tegelijkertijd durft de staatsimporteur, Alimport, geen gokjes te wagen en komen er minder bestellingen dan gehoopt. „Risico’s nemen durven ze niet.”

De verkopen liepen op tot 1 miljoen dollar per jaar, maar de afgelopen twaalf maanden kwam er geen enkele bestelling. „Als je niet op Havana’s prioriteitenlijst staat, valt er ook niet over te praten.”

Toch wil Splash de ongebruikelijke relatie met Cuba doorzetten. „We moeten geduldig zijn, maar maken wel deel uit van de aller- aller- allereerste Amerikaanse handelsbetrekkingen met Cuba.”

Met medewerking van Merijn de Waal