Wie zwijgt, liegt

Dak- en thuisloze jongeren praten met elkaar in een opvangcentrum in Amsterdam. Vandaag gaat het gesprek over liegen.

„Iedereen liegt wel eens. Bewust of onbewust. Je kan liegen om jezelf te beschermen, of omdat je bang bent dat iemand slecht over je gaat denken. En om een ander niet te kwetsen. Of je doet het om erbij te horen.” Wahid (18 jaar, Afghaan) vindt het eigenlijk geen leuk onderwerp.

Charlotte (20 jaar, Surinaams-Nederlandse) wel. „Of je liegt om te krijgen wat je wilt.” Ze heeft een knalrood joggingpak aan en draagt sierlijke gouden oorbellen.

Wahid: „Er is wel verschil tussen liegen en zwijgen.”

„Als iemand je iets vraagt en je weet het antwoord, maar je zegt het niet, lieg je ook”, vindt Charlotte.

Wahid: „Als je door de politie wordt opgepakt, kan je zwijgen. Dat mag. Als ze je wat vragen en je zegt ‘ik weet het niet’ terwijl je het wel weet, dan lieg je. Ik heb gelukkig vaak gelogen tegen de politie. Anders zou ik hier niet zitten.”

Wahid, Charlotte, Adiel (20 jaar, Egyptenaar) en Perdiep (21 jaar, Surinaams-Hindoestaan) gaan na het eten tafelvoetballen. Tijdens het spelen doen ze het spraakgebruik van een paar andere bewoners van het opvangcentrum na.

Op tafel ligt een vol pakje Gauloises. Perdiep steekt er een op. „Liegen heeft geen zin. Als mensen achter de waarheid komen, ben je de lul.” Hij stopt een paar nachochips in zijn mond. Wahid: „Als mensen bepaalde verwachtingen van je hebben, ga je bewust zitten liegen.”

Charlotte gelooft dat je het vaakst liegt tegen mensen die je al heel lang kent.

„Als ik een asielzoeker in huis zou hebben en de politie zou voor mijn deur staan, zou ik zeggen: waar heb je het over? Ik zeg dan niet de waarheid, maar ik lieg ook niet. Liegen is bullshit. Moet je gewoon niet doen”, zegt Adiel.

„Dat vind ik asociaal”, roept Wahid. „Ik zou zeggen dat die asielzoeker een vriend van me is die even langs komt. Ik zou voor hem liegen. Je leeft toch met hem mee?”

Adiel: „Vaak is het zo dat mensen die niet krachtig zijn, sneller liegen.”

„Wat hij bedoelt”, legt Wahid uit, „is dat iemand die mentaal sterk is minder bang is voor de reactie van anderen. Iemand die onzeker is, is dat wel.”

Charlotte: „Ja, sterke mensen vinden het niet belangrijk hoe anderen over ze denken. Die kunnen wél weer liegen om iemand te misbruiken. Ze kunnen mensen beïnvloeden met hun leugens. Liegen is niet makkelijk. Je moet dingen goed onthouden.”

Wahid vraagt hoe ze dat weet. „Omdat ik zelf heb gelogen”, antwoordt Charlotte, „maar dat doe ik niet meer.” Ze vertelt dat ze een tijd geen werk had, en toen haar grootouders zich daar zorgen over maakten, verzon ze een baan. „Mijn opa en oma zijn toen langsgegaan bij dat werk. Ik was daar niet. Ze waren teleurgesteld. Niet boos. Sindsdien lieg ik niet meer.”

Ze zijn het erover eens dat je behoorlijk slim moet zijn om goed te kunnen liegen.

Perdiep: „Je kan er ook macht door krijgen. Je kan er ver mee komen. Dan moet je wel blíjven liegen. Het is heel erg als mensen je niet meer geloven.”

Even later zijn bijna alle sigaretten uit het meegenomen pakje verdwenen. Geen van de vier zegt te weten waar ze zijn gebleven. Dan blijkt dat een van de jongens ze in zijn jaszak heeft verstopt.

Wahid: „Zie je, met liegen kom je niet ver. Mensen zijn zó achter de waarheid. Over sigaretten of over andere dingen.”

Om redenen van privacy zijn de achternamen weggelaten.