Waarom God aan de winnende hand is

Het idee was dat met de toename van globalisering en vrijheid religie allengs zou verdwijnen. In plaats daarvan beleeft zij in heel de wereld gouden tijden en heeft ze vaak een beslissende stem in verkiezingen. En dat is nog maar het begin van het goddelijk ingrijpen. De democratie geeft de mensen een stem, en die willen ze steeds vaker gebruiken om te spreken over God, stellen Timothy Samuel Shah en Monica Duffy Toft vast.

De hernieuwde strijd in Libanon vormt het zoveelste voorbeeld van de vitaliteit van de godsdienst op mondiaal niveau. Hezbollah, de Partij van God, heeft zich ontpopt als een formidabele tegenstander van Israël en als bliksemafleider voor moslims uit heel de Arabische en niet-Arabische wereld, sunnieten zowel als shi’ieten. De religie neemt in dit conflict een cruciale plaats in: zij bepaalt wie vriend is en wie vijand, en zij drukt haar stempel op de politieke ontwikkelingen in de regio en de wereld, zoals ze dat al tientallen jaren doet.

Na de beslissende overwinning van Hamas bij de Palestijnse verkiezingen in januari van dit jaar verving een van zijn aanhangers de nationale vlag die boven het parlement wapperde door Hamas’ smaragdgroene vaandel met het devies „Er is geen andere God dan God, en Mohammed is zijn profeet.’’

In Washington hadden maar weinig mensen verwacht dat deze religieuze partij aan de macht zou komen. „Ik ken geen mens die er niet van opkeek’’, zei de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice. En dat was niet de laatste verrassing. Binnen enkele dagen nadat in Ramallah het vaandel van de profeet was ontrold, namen duizenden moslims in ver uiteengelegen steden als Beiroet, Jakarta, Londen en New Delhi het fel, soms zelfs gewelddadig, op voor de eer van de profeet. In hun verontwaardiging over oorspronkelijk in Denemarken gepubliceerde spotprenten over Mohammed zetten islamitische groeperingen, regeringen en enkelingen demonstraties, boycots en aanvallen op ambassades op touw.

Op zichzelf leken die gebeurtenissen plotselinge uitbarstingen van ‘islamitische razernij’, maar feitelijk waren het alleen maar de jongste uitingen van een diepe onderstroom die al decennialang aan kracht wint en die voelbaar is tot ver buiten de islamitische wereld.

De wereldpolitiek wordt in toenemende mate gekleurd door wat ‘profetische politiek’ genoemd zou kunnen worden. Stemmen die zich beroepen op gezag van een hogere orde klinken in openbare ruimten en winnen beslissende politieke krachtmetingen. Deze bewegingen hebben zeer verschillende verschijningsvormen en bedienen zich van sterk uiteenlopende middelen. Maar ongeacht of de strijd democratische verkiezingen betreft dan wel de nog prille worsteling om de publieke opinie in de wereld, religieuze groepen doen zich steeds sterker gelden. In de ene krachtmeting na de andere waarbij mensen kunnen kiezen tussen het geestelijke en het wereldlijke, wint het geloof.

God behaalt triomf op triomf. Dat viel af te lezen aan de Iraanse revolutie van 1979, de opkomst van de Talibaan in Afghanistan, de shi’itische herleving en de religieuze conflicten in het naoorlogse Irak, en de recente overwinning van Hamas in Palestina.

Maar niet alle bliksemschichten zijn afkomstig van Allah. De strijd tegen de apartheid in Zuid-Afrika in de jaren ’80 en vroege jaren ’90 putte kracht uit vooraanstaande christelijke leiders als aartsbisschop Desmond Tutu. En Hindoe-nationalisten in India deden de internationale gemeenschap versteld staan toen zij in 1998 de regerende partij uit het zadel wipten en vervolgens proeven deden met kernwapens. Evangelisch georiënteerde Amerikanen verrassen het establishment van Buitenlandse Zaken telkens weer met hun activisme en hun invloed in zaken als godsdienstvrijheid, vrouwenhandel, Soedan, en aids in Afrika. De evangelisch gezinden zijn zelfs zo machtig geworden dat bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2004 het stemgedrag sterker samenhing met religie dan met sekse, leeftijd of maatschappelijke positie.

Naar alle waarschijnlijkheid zal de verbreiding van de democratie, in plaats van de macht van religieuze activisten in te perken, het bereik van profetische politieke bewegingen alleen maar vergroten. Veel van die bewegingen zullen uit het democratische proces tevoorschijn komen met een betere organisatie, een grotere aanhang en met meer legitimiteit dan ze eerst hadden – maar of ze ook minder gewelddadig zullen zijn is zeer de vraag. De democratie geeft de volkeren van de aarde hun stem, en zij willen spreken over God.

Daar heeft het niet altijd naar uitgezien. In april 1966 had Time een coverstory onder de kop ‘Is God dood?’ Geen onredelijke vraag, want halverwege de jaren ’60 beheerste het secularisme de wereldpolitiek. Veel intellectuele en politieke elites waren ervan overtuigd dat de modernisering onvermijdelijk de levenskracht van de religie zou doven. Maar nadat 1966 het hoogtepunt had laten zien van het seculiere zelfvertrouwen, bracht het volgende jaar al het begin van het einde van die wereldwijde hegemonie. In 1967 leed Gamal Abdel Nasser, de leider van het seculiere Arabische nationalisme, een vernederende nederlaag tegen het Israëlische leger.

Tegen het einde van jaren ’70 stonden ayatollah Khomeiny in Iran, de verklaarde ‘wedergeboren’ Amerikaanse president Jimmy Carter, televisie-evangelist Jerry Falwell en paus Johannes Paulus II allemaal op het wereldtoneel. Tien jaar later hielpen met rozenkransen zwaaiende leden van Solidariteit in Polen en met kalasjnikovs zeulende mujahedeen in Afghanistan het atheïstische sovjetcommunisme te verslaan.

Nog eens twaalf jaar later gooiden negentien „Allah is groot’’ roepende vliegtuigkapers de wereldpolitiek overhoop. Thans heeft het seculiere pan-Arabisme van Nasser plaatsgemaakt voor het radicaal-religieuze pan-islamisme van de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad, wiens religieuze tirades tegen Amerika en Israël weerklank vinden bij miljoenen moslims: sunnieten én shi’ieten. „Wij zien steeds meer dat de volkeren over heel de wereld naar één centraal punt stromen – de Almachtige God’’, schreef Ahmadinejad onlangs in een brief aan Bush.

In feite biedt de moderne wereld alle ruimte aan godsdienstige overtuigingen. De wereld ís ook moderner: er is misschien wel meer politieke vrijheid, democratie en onderwijs dan er ooit in de geschiedenis is geweest. Volgens Freedom House is het aantal ‘vrije’ en ‘ten dele vrije’ landen gestegen van 93 in 1975 naar 147 in 2005. De UNESCO schat dat tussen 1970 en 2000 in Afrika ten zuiden van de Sahara, de Arabische landen en Zuid- en West-Azië het percentage volwassenen dat kan lezen en schrijven is verdubbeld. Volgens een schatting van de Wereldbank is het gemiddelde percentage mensen in ontwikkelingslanden dat leeft van nog geen dollar per dag, tussen 1990 in 2002 gedaald van 28 naar 22.

Als mensen welvarender en beter opgeleid zijn en over meer politieke vrijheid beschikken, zou je denken dat ze ook minder religieus zijn geworden. Maar nee, het is zelfs zo dat in de periode van de sterkste economische en politieke modernisering – de afgelopen dertig, veertig jaar – de vitaliteit van religies over heel de wereld sterk is toegenomen. De grootste wereldgodsdiensten zijn naar verhouding sneller toegenomen dan de wereldbevolking. Neem de twee grootste christelijke geloofsrichtingen, het katholicisme en het protestantisme, en de twee grootste niet-christelijke godsdiensten, de islam en het hindoeïsme. Volgens de World Christian Encyclopedia was in 2000 een groter deel van de wereldbevolking aanhanger van deze religieuze stelsels dan een eeuw eerder. Aan het begin van de 20ste eeuw was net geen meerderheid van de wereldbevolking – precies 50 procent – katholiek, protestant, moslim of hindoe. Aan het begin van de 21ste eeuw behoorde bijna 64 procent tot die vier religieuze richtingen, en in 2025 zou het percentage weleens dicht bij de 70 kunnen liggen. De World Values peiling, die 85 procent van de wereldbevolking bestrijkt, bevestigt de toenemende vitaliteit van het geloof. Volgens Ronald Inglehart en Pippa Norris „telt de wereld als geheel thans meer mensen met traditionele religieuze opvattingen dan ooit tevoren – en vormen zij een groter percentage van de wereldbevolking’’.

Niet alleen is men vaker aanhanger van een godsdienst, de mensen worden ook vromer. De volkrijkste en snelst groeiende landen van de wereld, waaronder de Verenigde Staten, beleven een uitgesproken toename van de religiositeit. In Brazilië, China, Nigeria, Rusland, Zuid-Afrika en de Verenigde Staten is tussen 1990 en 2001 de religiositeit sterker geworden. Tussen 1987 en 1997 heeft zich volgens onderzoeken van het Times Mirror Center en het Pew Research Center een toename van minstens 10 procent voorgedaan van het percentage ondervraagde Amerikanen dat er ‘sterk van overtuigd’ was dat God bestaat, dat zij hun zonden voor God zullen moeten verantwoorden, dat God wonderen verricht en dat het gebed een belangrijk onderdeel van hun dagelijks leven is. Zelfs in het seculiere bolwerk Europa hebben zich verrassende stijgingen in godsdienstigheid voorgedaan.

De comeback van God is in niet geringe mate het gevolg van de wereldwijde expansie van de vrijheid. Dankzij de ‘derde golf’ van democratisering van halverwege de jaren ’70 tot begin jaren ’90, en de kleinere vrijheidsgolven sindsdien, zijn mensen in tientallen landen in staat gesteld hun openbare leven gestalte te geven op een wijze die in de jaren ’50 en ’60 van de 20ste eeuw ondenkbaar was. In de manier waarop zij gebruikmaakten van hun nieuw verworven politieke vrijheden tekende zich een patroon af. In het ene land na het andere gebruikten groepen de verkregen politieke zeggenschap om actie te ondernemen tegen de seculiere beperkingen die de eerste generatie moderne leiders van na de onafhankelijkheid had opgelegd. Vaak was de bevolking, zoals in communistische landen, met pure dwang een seculier keurslijf opgedrongen.

Elders, bijvoorbeeld in het Turkije van Atatürk, het India van Nehru en het Egypte van Nasser, behield het secularisme zijn legitimiteit, omdat elites het noodzakelijk achtten voor de integratie en de modernisering van de natie, en alleen al door het charisma van de grondleggers van die landen. In Latijns-Amerika legden rechtse dictaturen, soms in samenspel met de katholieke kerk, strenge beperkingen op aan religieuze invloeden vanuit de basis, met name van de ‘bevrijdingstheologie’ en protestantse ‘sekten’.

Toen eind jaren ’90 in landen als India, Nigeria, Turkije en Indonesië de politieke vrijheid toenam, nam de invloed van de godsdienst op het politieke leven aldaar sterk toe. Zelfs in de Verenigde Staten hebben in de jaren ’80 en ’90 de evangelisch gezinden een groeiende invloed uitgeoefend op de Republikeinse Partij, deels doordat het proces van de kandidaatsstellingen voor de presidentsverkiezingen sterker afhankelijk was geworden van voorverkiezingen onder de kiezers, en minder van de beslissingen van traditionele partijleiders. Waar politieke stelsels een afspiegeling zijn van de waarden van de bevolking, zijn ze doorgaans een afspiegeling van uitgesproken religieuze overtuigingen van het volk.

Veel waarnemers doen de opmars van de religie in de politiek al te gemakkelijk af als een gevolg van het feit dat elites religieuze symbolen zouden manipuleren om de massa te mobiliseren. In feite is het zo dat volkeren in heel de wereld de koppeling tussen religie en politiek vaak verwelkomen of die zelfs eisen. Volgens een enquête van Pew Global Attitudes uit 2002 was 91 procent van de ondervraagde Nigerianen en 76 procent van de ondervraagde inwoners van Bangladesh het ermee eens dat religieuze leiders zich meer met de politiek zouden moeten bemoeien. Uit een in juni 2004 in zes landen gehouden peiling werd geconcludeerd dat „de meeste ondervraagde Arabieren zeiden dat zij wilden dat de geestelijkheid een grotere rol zou spelen in de politiek’’. Bij dezelfde enquête zei de meerderheid – of tenminste een zeer grote groepen ondervraagden – in Marokko, Saoedi-Arabië, Jordanië en de Verenigde Arabische Emiraten dat de islam hun voornaamste identiteit was – belangrijker dan nationaliteit. Door de val van de quasi-seculiere Ba’ath-dictatuur in Irak hebben religieuze en etnische groepsbanden daar de vrije hand gekregen en heeft de islam een dominante rol kunnen krijgen in het politieke leven van Irak, ook in de onlangs aangenomen Grondwet. Naarmate in Latijns-Amerika rechtse en linkse dictaturen aan kracht inboetten en de democratisering voortschreed, zijn in tal van landen, waaronder Brazilië, Guatemala en Nicaragua, de evangelisch gezinden een politieke factor van gewicht geworden.

In plaats van korte metten te maken met de religie heeft de modernisering juist een nieuwe generatie van uitgekookte, technologisch goed onderlegde religieuze bewegingen voortgebracht, waaronder het evangelisch protestantisme in Amerika, ‘Hindutva’ in India, de salafistische en de wahabitische islam in het Midden-Oosten, de pinksterbeweging in Afrika en Latijns-Amerika, en Opus Dei en de charismatische beweging binnen de katholieke kerk.

De meest dynamische godsdienstigheid vandaag de dag is niet zozeer de ‘godsdienst van vroeger’ als wel dat ze radicaal, modern en conservatief is. De religieuze hausse van nu is geen terugkeer van de religieuze orthodoxie, maar meer een explosie van ‘neo-orthodoxieën’.

Wat deze neo-orthodoxieën gemeen hebben, is de inzet van verfijnde en politiek bekwame organisaties. Deze moderne organisaties maken doeltreffend gebruik van gespecialiseerde instellingen en van de nieuwste technologie om nieuwe leden te werven, de banden met oude leden aan te halen, maatschappelijke diensten te verlenen en hun agenda onder de aandacht van het publiek te brengen. De in 1964 opgerichte Vishva Hindu Parishad heeft met zijn religieuze en sociale activiteiten grote delen van India ‘saffraangeel’ gekleurd, en de grondslag gelegd voor de verkiezingssuccessen van de Bharatiya Janata Partij in de jaren ’90. Vergelijkbare groepen in de islamitische wereld zijn de Moslimbroederschap in Egypte en Jordanië, Hamas in de Palestijnse gebieden, Hezbollah in Libanon en de Nahdlatul Ulama in Indonesië. In Brazilië hebben de aanhangers van de pinksterbeweging hun eigen parlementaire organisatie opgezet, die 10 procent van de leden van het Congres vertegenwoordigt.

Religieuze gemeenschappen ontwikkelen ook opmerkelijke grensoverschrijdende vaardigheden: zij doen een beroep op buitenlandse regeringen en internationale lichamen waar zij sympathie voor hun zaak vermoeden.

De huidige neo-orthodoxieën mogen dan doeltreffend gebruikmaken van de middelen van de moderne wereld, maar in hoeverre zijn ze verenigbaar met de moderne democratie? Religieuze radicalen kunnen de democratie immers snel om zeep helpen door de macht te veroveren en vervolgens de niet-gelovigen buiten te sluiten. Daarnaast bestaat het gevaar dat gepolitiseerde religie burgertwisten ontketent. Sinds 2000 is 43 procent van de burgeroorlogen van religieuze aard geweest – in de jaren ’40 en ’50 van de 20ste eeuw was dat slechts een kwart. Extreme religieuze ideologieën zijn uiteraard een zeer belangrijke drijfveer achter de meeste grensoverschrijdende terroristische aanslagen.

Er zijn echter niet alleen maar schaduwzijden. Religie heeft miljoenen mensen ertoe gebracht zich te verzetten tegen autoritaire regimes, de democratisering te bevorderen, de mensenrechten te steunen en menselijk leed te verzachten. In de 20ste eeuw hebben religieuze bewegingen geholpen een einde te maken aan koloniale regimes, en de democratie in te voeren, in Latijns-Amerika, Oost-Europa, Afrika ten zuiden van de Sahara, en Azië.

De katholieke kerk heeft na het Tweede Vaticaans Concilie een beslissende rol gespeeld in het verzet tegen autoritaire regimes en in de legitimering van de democratische verlangens van de massa.

Het is echter niet gezegd dat de huidige religieuze bewegingen evenveel succes zullen hebben bij het bevorderen van een duurzame vrijheid. De katholieke kerk was door haar sterk gecentraliseerde en georganiseerde aard een effectieve concurrent van de staat, en haar institutionele traditie stelde haar in staat zich aan te passen aan de democratische politiek. De islam en de pinksterbeweging daarentegen zijn niet gecentraliseerd onder een centrale leiding of doctrine die coherent kan reageren op snelle maatschappelijke of politieke ontwikkelingen. Plaatselijke regionale autoriteiten vertonen vaak een neiging tot radicalisering om hun zwakke positie tegenover de staat te compenseren of om meer gevestigde figuren naar de kroon te steken.

De carrière van de jonge geestelijke Muqtada Sadr in het naoorlogse Irak is niet uitzonderlijk. Het tekort aan hoger gezag bij de religieuze elites kan misschien verklaren waarom bij 34 van de 42 van de religieuze burgeroorlogen sinds 1940 de islam betrokken was; in negen van die gevallen ging het tussen moslims onderling.

We hoeven thans maar naar Irak te kijken om te zien dat religieuze autoriteiten met veel succes seculiere krachten het hoofd kunnen bieden, maar ook elkaars felle concurrenten kunnen zijn. Zelfs in een sinds lang gevestigde democratie als India heeft de politieke ontwikkeling van het hindoe-nationalisme laten zien dat democratische instellingen deze instincten niet noodzakelijkerwijs temperen. Waar radicale hindoe-nationalisten beschikten over de juiste combinatie van kansen en prikkels, hebben zij zich van religieus geweld bediend om verkiezingen te winnen, en wel het meest spectaculair in de staat Gujarat.

De overtuiging dat erupties van politiek gekleurde religie slechts tijdelijke ontsporingen zijn op de weg naar secularisatie, was houdbaar in 1976, 1986 en zelfs 1996. Nu is die stelling niet meer vol te houden. Als referentiekader om de loop van dewereldpolitiek te kunnen verklaren en voorspellen, stelt het secularisme steeds minder voor. God is in de wereldpolitiek aan de winnende hand, en modernisering, democratisering en globalisering hebben Hem alleen maar sterker gemaakt.

Timothy Samuel Shah is hoofdmedewerker voor religie en mondiale aangelegenheden bij het Pew Forum on Religion & Public Life. Monica Duffy Toft is hoofddocent openbaar beleid aan de John F. Kennedy School of Government, en assistent-directeur aan het John M. Olin Institute for Strategic Studies aan Harvard University. Dit artikel stond eerder in het Amerikaanse tijdschrift voor internationale politiek Foreign Policy. © Carnegie Endowment for International Peace.