Thuiszorg en de belastingbetalers

Drie dagen na haar operatie mag mevrouw M. al weer naar huis. Zo komt in het ziekenhuis vlug een bed vrij voor de volgende patiënt. Om de wond te verzorgen en omdat zij nog niet veel kan doen, komt voorlopig iedere dag iemand van de thuiszorg bij mevrouw M. langs. Eén van de meer dan tweeduizend zorgbureaucraten van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft met gegevens van het ziekenhuis beslist op hoeveel zorg zij aanspraak kan maken.

De totale door het CIZ toegewezen hoeveelheid thuiszorg nam de afgelopen jaren sterk toe. Nederland telt een groeiend aantal ouderen. Zij blijven steeds langer zelfstandig wonen, maar op het laatst gaat dat niet langer zonder hulp van buiten. Patiënten worden bovendien steeds sneller uit het ziekenhuis ontslagen en hebben dus eerder en langer thuiszorg nodig.

Afgezien van een inkomensafhankelijke bijdrage van de klanten wordt de thuiszorg gefinancierd via de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Elke belastingbetaler draagt 12,55 procent AWBZ-premie over zijn inkomen bij, echter ten hoogste 3.844 euro per jaar. Vrijwel de gehele premieopbrengst van 15,5 miljard euro gaat naar de regionale zorgkantoren. Die kopen voor hun werkgebied thuiszorg in bij een van de 350 thuiszorgorganisaties. Hun gezamenlijke omzet bedraagt dit jaar ongeveer vier miljard euro. Tot enkele jaren geleden hadden de zorgkantoren een contracteerplicht. Elke erkende aanbieder was daarmee verzekerd van een stuk omzet. Sinds 2004 besteden de zorgkantoren de thuiszorg aan. In theorie gaat het werk naar de aanbieder die tegen het laagste tarief inschrijft en verliezen de andere organisaties marktaandeel. In de praktijk blijken zorgkantoren en thuiszorgorganisaties het werk nog vaak volgens ingesleten patronen te verdelen. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) voert de druk op om de marktwerking in deze branche serieus te nemen.

Inmiddels komen allerlei nieuwe partijen als vliegen op de stroop van deze groeimarkt af, daaronder ziekenhuizen en bijvoorbeeld ook schoonmaakbedrijven. Want volgend jaar treedt de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) in werking. Die maakt de gemeenten in plaats van de zorgkantoren verantwoordelijk voor het organiseren van hulp in de dagelijkse huishouding. Lokale overheden zullen dit werk aanbesteden. En waarom niet aan het bedrijf dat ook het gemeentehuis naar tevredenheid schoonhoudt?

Naarmate zich meer nieuwkomers op de markt voor thuiszorg aandienen wordt de concurrentie feller. Hierdoor rollen lagere tarieven uit de bus. Om hun marktaandeel te beschermen en sterker te staan bij tariefonderhandelingen klonteren de gevestigde aanbieders van thuiszorg momenteel in hoog tempo samen. Door te fuseren versterken zij hun machtspositie bij tariefonderhandelingen met zorgkantoren en gemeenten. Dit is niet in het belang van de belastingbetalers die veruit het grootste deel van de thuiszorg financieren. Bovendien hebben de klanten minder te kiezen wanneer een of twee grote partijen het aanbod domineren. De Nza maakt dan ook bezwaar tegen pogingen van de grote spelers op de markt voor thuiszorg om de concurrentie in te snoeren.

De afgelopen weken hebben verschillende thuiszorgorganisaties een klantenstop afgekondigd. De zorgkantoren beschikken over onvoldoende budget om alle klanten met een indicatie van het CIZ uit de brand te helpen. Staatssecretaris Ross van Volksgezondheid houdt geld achter de hand om de ergste nood te lenigen. Zeker in het zicht van nakende verkiezingen wil het kabinet geen politieke rel over wachtlijsten bij de thuiszorg. Het probleem is echter niet verholpen met de eenmalige injectie van honderd miljoen euro waar het kabinet aan denkt. Onder invloed van de doorzettende vergrijzing raakt de vraag naar thuiszorg de komende jaren in een stroomversnelling. Er is een grens aan de AWBZ-premie die de belastingbetalers kunnen en willen opbrengen. Daarom lijkt het onvermijdelijk dat een volgend kabinet de vraag naar thuiszorg indamt.

Dat kan door de eigen bijdragen van gebruikers van thuiszorg verder te verhogen. Het ‘remgeld’ kan echter niet asociaal hoog worden opgeschroefd. De overheid kan ook proberen het CIZ te bewegen tot een soberder indicatiestelling. Sinds kort gelden landelijke richtlijnen om de omvang van de aanspraak op thuiszorg te bepalen. Toch wordt in sommige delen van het land, zoals in Oost-Groningen, duidelijk soepeler geïndiceerd dan elders. Hier wreekt zich dat het CIZ de toegewezen zorg niet ten laste van het eigen budget hoeft te bekostigen. De rekening komt immers bij het zorgkantoor terecht. De professionals van het CIZ zullen de gebruikelijke klaagzang aanheffen dat strikte richtlijnen hun autonomie te veel aantasten. Aansturing vanuit Den Haag blijkt echter nodig te zijn om burgers gelijke toegang tot zorgvoorzieningen te geven en de kosten van de thuiszorg beter beheersbaar te maken. Dat is een gedeeld belang van alle belastingbetalers die samen veruit het grootste deel van de thuiszorg financieren.

Verder zal meer marktwerking dan tot nu toe in de branche gebruikelijk was aanbieders prikkelen tot grotere doelmatigheid bij de productie van thuiszorg. Organisaties die het meest efficiënt werken zullen lagere tarieven hanteren om marktaandeel te winnen. Voor hetzelfde geld kunnen dan meer mensen worden geholpen. Daarom valt het te hopen dat de Zorgautoriteit er in slaagt een halt toe te roepen aan de huidige fusiegolf in thuiszorgland.