Test bij zwangere op stuitligging is onnauwkeurig

Een stuitligging blijft vaak onopgemerkt als de controle, zoals gebruikelijk, met de hand gebeurt. Dat blijkt uit een Australische studie waaraan 1633 zwangere vrouwen deelnamen (British Medical Journal, online 3 aug.). Van alle baby’s die rond de 36ste week van de zwangerschap in stuit lagen, werd maar 70 procent ontdekt. Als een stuitligging wordt ontdekt, kan het kind nog worden gedraaid.

Normaal onderzoekt de verloskundige vanaf de 36ste week van de zwangerschap met de hand of de baby – zoals het hoort – met het hoofdje naar beneden ligt. Als het kind in stuit lijkt te liggen (met de voeten of met de billen naar beneden) wordt er ter controle nog een echo gemaakt. Zijn de vrouw en de foetus in goede conditie, dan wordt geprobeerd om het kind te keren zodat de moeder gewoon thuis kan bevallen. Een stuitbevalling geeft meer kans op complicaties.

Het Australische onderzoek is de eerste grote studie naar de effectiviteit van dat eerste, handmatige onderzoek. Die valt dus tegen, zo blijkt. Van elke 1.000 kinderen bleken er in het onderzoek 101 in stuit te liggen, maar 24 andere stuitliggingen bleven onontdekt. Ook blijkt bij bijna de helft van die 101 de diagnose verkeerd, maar dat leidt niet tot problemen omdat die fouten met de vervolgecho wel ontdekt worden.

De medici hebben niet direct een oplossing. Ze realiseren zich dat een routine-echo weliswaar zou helpen, maar dat is ook duur. Wel suggereren ze om bij vrouwen met vetzucht altijd een echo te maken. In hun studie was de gevoeligheid van het handmatige onderzoek bij dikke zwangeren veruit het kleinst. Hester van Santen