Pionnen in een oude oorlog

Morgen wordt de zieke Cubaanse dictator Fidel Castro tachtig jaar. Sinds hij twee weken geleden de macht overdroeg aan zijn broer, weten de 800.000 Cubanen in Miami het niet meer. Zijn ze ballingen of goed geïntegreerde immigranten? Maar er zijn er die teruggaan zodra het kan. „U praat nu met de echte president van Cuba.”

Alles is verleden tijd, in Casa Linda, een bejaardenhuis met uitzicht op een snelweg in Miami. In de hal van het vervallen mosgroene pand hangen oude schilderijen van dode helden. Rechts onafhankelijkheidsstrijder Jose Martí, links Simón Bolívar, ‘Libertador de América’. Vergane glorie. In een benauwd hoekappartement op de vijfde verdieping zijn de muren behangen met vergeelde foto’s, ingelijste oorkondes en daar overheen gehangen medailles.

Hier delen de mieren op het grondzeil een huurwoning met de Cubaan Emilio Ochoa. Hij is de enige nog levende ondertekenaar van de Cubaanse grondwet van 1940 en wordt nog steeds gezien als een van de oprechtste politici van het land. Emilio Ochoa is 99 jaar.

Ochoa is in een strijd verwikkeld die meer om dood dan om leven gaat. Zijn opponent Fidel Castro mag dan morgen tachtig worden, Ochoa vertrouwt erop hem te overleven. „Seguro”, zegt hij in het Spaans. Zeker weten. „Ik ben niet meer zo jong, maar zo oud ben ik ook weer niet.” En, glimlacht hij: „Ík ben niet degene die ziek is.”

Ochoa en zijn buren, stuk voor stuk tachtig-plussers, zijn de verloren Cubaanse generatie in Miami. Ze waren al op middelbare leeftijd toen ze in 1959 na Castro’s machtgreep als banneling naar dit zuidoostelijke uiteinde van de VS kwamen – te oud om helemaal opnieuw te beginnen, te jong om zich bij het verlies neer te leggen.

Maar Ochoa wil niet op zijn bank afwachten tot Castro’s dood erop volgt. Elke ochtend trekt hij zijn krijtstrepen pak aan, slaat in de tropische hitte een sjaal om zijn hals en wandelt dan langzaam naar het seniorencentrum. Daar werkt hij, zegt hij met vaste stem en waterige ogen. Hij praat met anderen en roept op tot een einde van de verdeeldheid onder de Cubanen in Miami.

Emilio Ochoa gebruikt het woord ‘Castro’ niet. Hij heeft het over ‘Fidel’, als was het een lastig broertje. „Als Fidel dood is, stap ik op de eerste vlucht naar Cuba.” Toen hij het land bijna vijftig jaar geleden verliet, was hij eigenaar van een boerderij in de provincie Holguín. Daar wil hij weer yuca gaan verbouwen. En stel nou dat hij het toch niet haalt, Castro heeft zijn volk immers beloofd tenminste honderd jaar te worden? „Dan zorgt god wel dat het goed komt.”

De verjaardag van de Cubaanse dictator vormt de voorlopige afsluiting van twee weken van achtereenvolgens feestvieren, bidden voor Castro’s spoedige dood en ten slotte heroverwegen van de eigen toekomst door los exiliados , de bannelingen. Het maakt dezer dagen in Miami niet uit of je 99 bent en Emilio Ochoa heet, of je als bouwvakker op de steigers van de prijzige pastelkleurige appartementencomplexen aan de Atlantische Oceaan werkt of dat je een van de Cubanen bent die popelen om als bewoner daar een penthouse te betrekken: elke Cuban-American voelt aan dat een einde komt aan het tijdperk-Fidel Castro. Het kan nog weken duren, jaren misschien wel. Maar dit is het begin van het einde. En dus een nieuw begin.

De voltallige Cubaanse gemeenschap in Miami heeft bijna een halve eeuw een droom gedeeld: een vrij Cuba. De hoop ooit terug te keren heeft geleid tot wekelijkse oorlogstrainingen door strijders op leeftijd in de Everglades-moerassen van Florida, tot het opstellen van nieuwe grondwetten en tot het eindeloos groeperen, afsplitsen en hergroeperen van bannelingenorganisaties. De Cubaanse gemeenschap in Florida is niet zo homogeen als Fidel Castro in zijn gebruikelijke zwartmakerij van de ballingen wil doen geloven.

Dat wordt al snel duidelijk bij het zoeken naar een antwoord op de hamvraag van het moment. Weggaan of blijven? De meningen zijn met het verstrijken der jaren verdeeld geraakt. Mannen als Ochoa stellen hun sterven uit totdat ze weer op Cuba zijn – en worden niet zonder reden door hun eigen groep tot dinosaurus bestempeld. Maar hoe recenter de komst naar Florida, des te minimaler de hoop ooit nog een welvarend bestaan op het arme eiland op te bouwen.

Vraag het de Cubanen die vorige week nog feestvierden in Little Havana’s hoofdstraat Calle Ocho, en ze zeggen dat ie-der-een teruggaat. Vraag het Ochoa en hij zegt er zeker van te zijn dat negentig procent terugverhuist. Kijk naar de opiniepeilingen van Florida International University en niet meer dan de helft zegt terug te gaan naar dat eiland op maar 145 kilometer ten zuiden van Florida. Zelfs dat begrip ‘teruggaan’ blijkt rekbaar.

Hoogleraar Guillermo Grenier (zelf al 46 jaar in Miami): „Kinderen van Cubanen gaan hier nu naar school. Waarschijnlijk maken ze in een mogelijk democratischer Cuba zo nu en dan een nostalgisch reisje. Of ze kopen een zomerhuis.”

Julio Cabarga, voorzitter van bannelingenorganisatie Junta Patriotica Cubana (44 jaar weg): „Als Cuba verandert, ga ik zeker terug. Met de boot kun je prima een auto meenemen en het graf van familieleden bezoeken. En op maandagochtend zijn mijn vrouw, twee dochters en ik weer op tijd op ons werk in Miami.”

Verpleegkundige Giovanna Lopez (zeven jaar geleden gekomen): „Natuurlijk heb ik jeugdherinneringen en heb ik mijn moeder al die jaren niet meer gezien. Maar ik woon en werk nu hier, en hier is het goed. Cuba is mijn geboorteland. Maar Amerika wordt steeds meer mijn vaderland.”

Als de Cubanen niet naar het eiland willen, gaat de bevolkingsstroom dan misschien de andere kant op? Omdat communicatie met Cuba moeizaam is en in code gaat, durft niemand er iets over te zeggen. Behalve de Amerikaanse overheid dan. De schatting is dat ruim een half miljoen Cubanen naar Florida wil emigreren. Florida kan een dergelijke massale exodus helemaal niet aan. Voorkomen is beter dan genezen, denkt de ‘US Citizenship and Immigration Services’, de immigratiedienst, dan ook. De afgelopen dagen volgde er een tweeledige boodschap. Ter ontmoediging: de kustwacht is paraat, dat u het weet. En het aantal jaarlijks verstrekte immigrantenvisa wordt ingeval van een machtswisseling verhoogd.

De afgelopen vijf jaar kwamen elke dag, zon- en feestdagen incluis, gemiddeld 55 Cubanen naar de VS. Dat zijn er twintigduizend per jaar. Daarvoor kwamen de vluchtelingen vooral in golven. Begin jaren zestig ontvluchtten honderdduizenden na de machtsgreep van Castro het eiland. In 1980 volgen 125.000 Cubanen in de zogeheten Mariël-exodus, genoemd naar de Cubaanse vertrekhaven. Onder hen 25.000 criminelen en psychiatrische patiënten. Castro liet hen gaan. In de jaren negentig komt een derde golf naar Miami: na het instorten van de handelsrelaties met de voormalige Sovjet-Unie maakt Cuba een diepe crisis door. Duizenden maken per vlot de oversteek.

Vanaf 1995 geldt het wet foot/dry foot-beleid. Drenkelingen worden naar Cuba of een derde land (terug-)gestuurd, maar Cubanen die Florida halen mogen in de VS blijven.

Bijna vijftig jaar na het begin van het regime-Castro’s komt het voorlopige totaal Cubanen in Miami op 833.000, een derde van de bevolking van Miami. Tegelijkertijd is Miami de armste grote stad van het land. Bijna een derde van de inwoners leeft onder de armoedegrens. Vaker nog dan Cubanen zijn het zwarten of Haïtianen.

Drie willekeurige straatbeelden die illustreren dat de Cubanen hun plek in de Amerikaanse samenleving hebben gevonden. Het eerste beeld. Een doodgewone jongen loopt met een boek en een kop koffie over straat. Hij heeft een tatoeage van de Cubaanse vlag op zijn bovenarm.

Dan zijn er drie verkiezingsposters op een muur geplakt, allemaal voor dezelfde functie als rechter in een lagere rechtbank, ‘county court judge’. De kandidaten? Rima Bardawil. Victoria del Pino. En Josie Perez Velis. Drie vrouwen, alleen de eerste is geen Cubaanse.

Ten slotte een bejaard echtpaar in een kostbare Mercedez-Benz. Ook hier weer de Cubaanse vlag, ditmaal op de achterruit. Maar nu wordt deze geflankeerd door een doorzichtige Maria-afbeelding en een blauw-rode verkiezingssticker met de George Bush-tekst ,„W ’04”.

Niet alle Cubanen stemmen op de Republikeinen. Maar het waren er in 2000 wel ruim genoeg om geschiedenis te schrijven. Het stemmen voor Bush – en niet voor Gore – was misschien ongebruikelijk voor een groep immigranten die zich nog omhoog aan het vechten is, maar is historisch verklaarbaar.

De Cubaanse gemeenschap is vaker teleurgesteld in de Democraten. Zoals begin jaren zestig. Duizenden Cubaanse soldaten wilden vanuit Florida het eiland bestormen. Het Varkensbaai-incident. „Kennedy hield ons tegen”, zegt bannelingenleider Cabarga, nog steeds teleurgesteld. „We mochten niet”, herinnert chirurg Manuel Alzugaray zich al wijzend op een vergeelde foto van hemzelf in legeruniform. „En dat leidde tot de schandalige situatie waarin we nu al decennia verkeren.”

In 2000 voelden de Cubanen zich opnieuw verraden. Het Cubaanse jongetje Elián Gonzalez werd op zee aangetroffen, zijn moeder was omgekomen bij de vluchtpoging. Eliáns oom ontfermde zich over hem. Maar de regering-Clinton besloot – het ‘wet foot/dry foot-beleid’ indachtig – dat Elián bij zijn vader op Cuba hoorde. Zwaarbewapende agenten braken in bij de oom en ontvoerden het kind. Elián wordt sindsdien regelmatig ingezet voor propagandadoeleinden op Cuba. Vorige week werd een brief van hem aan Fidel Castro openbaar. Elián hoopt op een spoedig herstel van de leider.

De afhandeling van de kwestie was opnieuw een affront voor de Cubaanse gemeenschap. Weer werd duidelijk dat de Democraten en de Cubanen in Miami andere doelen voor ogen hebben: een détente met Havana tegenover een machtswisseling op het eiland.

Cubaans Miami is een gesloten gemeenschap die de illusie wekt een open deur te hebben. Ga eens aan de overkant van de straat praten, zeggen ze, daar zitten de bannelingenorganisaties. Loop eens binnen bij de buren, zij zijn erg uitgesproken. En het advies van verschillende kanten: zoek el doctor.

Manuel Alzugaray is orthopedisch chirurg, Miami-Cubaanse stijl. Wat dat inhoudt? Zijn praktijk is gevestigd in een mintgroen art-deco-pand, zijn staf is tweetalig en Manuel laat graag een aantal patiënten wachten om met de bezoeker uit Nederland uitgebreid foto’s van zijn handenschudden met de presidenten Reagan en Bush Sr. door te nemen.

Bescheidenheid lijkt Manuel Alzugaray vreemd. Een betere kwalificatie is misschien ‘ingebed in de Cubaanse gemeenschap’. Hij overhandigt een stapel visitekaartjes. Dit is hij in de hoedanigheid van chirurg, deze is voor zijn voorzitterschap van de hulporganisatie Miami Medical Team Foundation – „zodra Cuba open gaat, hebben we een plan. Artsen zijn daar genoeg. Maar we vliegen wel direct medicijnen en speelgoed in” – en het laatste kaartje is de papieren weerslag van zijn uitvoerende macht bij de Municipios de Cuba en el Exilo. Een ‘municipio’ is een gemeente. Van al die gemeentebesturen in ballingschap samen is Alzugaray de voorzitter. „Officieel is de voorzitter van de ‘municipios’ in Cuba de hoogste bestuurder van het land. U praat nu dus met de echte president van Cuba.”

Hij is niet de enige binnen de gemeenschap die dit zegt. De 99-jarige échte politicus Ochoa lacht er maar om. „Ik ben de enige Cubaan in Miami die geen president wil zijn.”

Toen de Cubanen in de jaren tachtig, twintig jaar na de komst van de eerste bannelingen, beseften dat het verblijf nog wel even kon duren, besloten ze het voorbeeld van de Amerikaanse joden te volgen en zich beter te organiseren. Politiek gezien heeft dat geen windeieren gelegd. De burgemeester van Miami is al jaren een Cubaan en de gemeenschap heeft in Washington Congresleden uit de eigen gelederen. Tegelijkertijd is ook het aantal splintergroeperingen in Florida geëxplodeerd. Het loopt in de honderden.

Neem bijvoorbeeld de parapluorganisatie Junta Patriotica Cubana, bestuurd door Julio Cabarga, de weekendbezoeker van het eiland. Bij zijn junta zijn 137 verschillende clubs aangesloten, van de vakbond van bouwvakkers tot de vakorganisatie van juristen. Vanwaar toch zoveel?

De Cubaanse gemeenschap in Florida is opgebouwd uit ontelbare subgroepen, zegt Guillermo Grenier. Hij is hoogleraar Sociologie aan de Florida International University en een van de auteurs van het standaardwerk This land is our land: immigrants and power in Miami. „De Cubanen hier kennen maar één samenbindende factor”, zegt Grenier, „en vele verdelende standpunten.”

Het is allemaal de schuld van Castro, haalt Cabarga zelf het lokale mantra weer eens aan. Omdat zijn dictatuur zo lang voortduurt, kregen de Cubanen voldoende tijd onderlinge verschillen te constateren. Cabarga maakt zich er met een grapje vanaf. Zoveel keuzemogelijkheden zijn toch juist goed? „Eén keuze is geen keuze. Er gaat niets boven democratie.”

Naast het fanatisme van de bannelingenorganisaties verklaart ook de beroepsmatige achtergrond van de Cubanen hun succes. De eerste generatie bestond met name uit de hoogopgeleide middenklasse. In Miami namen zij werk onder hun opleidingsniveau aan en zorgden voor bedrijvigheid. Daarna volgde de macht van het getal.

Cubanen zijn geslaagd als immigrant, maar hebben gefaald als banneling. Dat zegt socioloog Grenier. Als nieuwkomer in de Amerikaanse traditie deden Grenier en zijn landgenoten exact wat Amerika van ze verwachtte. Ze organiseerden zich, leerden de taal en gingen aan de slag. Tegelijkertijd hebben ze zich de identiteit van een banneling eigen gemaakt en doorgegeven aan volgende generaties. Maar een succesvol en geïntegreerd immigrant zijn is in tegenspraak met een banneling zijn die uitkijkt naar terugkeer. Veel Cubanen in Miami worstelen daardoor met hun identiteit, volgens Grenier. „Het is sowieso bevreemdend een pion te zijn in een oorlog die niet meer gevoerd wordt.” Hij bedoelt de Koude Oorlog.

Kijk daarom kritisch naar feestende Cubanen van de harde lijn die de straten bevolken wanneer Castro sterft, waarschuwt hij. „Voor iedere Cubaan met een fluitje en een vlag zitten er vijf voor de tv zich af te vragen wat nou eigenlijk hún rol is in deze geschiedenis.”

Er zijn ook Cubanen in Miami die met gemengde gevoelens naar het naderende einde van een tijdperk kijken. 29.097, om exact te zijn. „Ze zijn crimineel en gevaarlijk”, zegt Linda Osberg-Braun, en willen daarom hun identiteit niet prijsgeven. Immigratieadvocaat Osberg-Braun is geen Cubaanse maar wel een heldin van de gemeenschap. Ze stond tevergeefs de oom van Elián bij in zijn pogingen het jongetje in Miami te houden. Nu verdedigt ze een andere groep Cubanen die uitgezet dreigt te worden. Het zijn de mannen en vrouwen die Miami een van Amerika’s gevaarlijkste steden hebben gemaakt. Het moordcijfer was er in 2004 met achttien per 100.000 inwoners bijna vier keer zo hoog als het Amerikaanse gemiddelde, zo blijkt uit FBI-gegevens. En circa tien keer zo hoog als in Nederland.

„Het gaat vaak om diefstal, fraude, drugshandel”, zo somt Osberg-Braun de veroordelingen op. Zelf heeft zij op dit moment „een handvol” van dit soort cliënten. Of de misdaad begaan is op Cuba of in Florida – dan wel op een drugsboot ergens daar tussenin – is niet relevant. De Amerikaanse overheid wil hen al jaren uitzetten, maar Cuba neemt ze niet terug. In 1996 nam het Amerikaanse Congres een wet aan die ertoe leidt dat de veroordeelden, ook al is de straf uitgezeten, gedeporteerd worden zodra Cuba een democratisch gekozen regime heeft.

„Natuurlijk hopen mijn cliënten voor Cuba op een einde van het tijdperk-Castro”, zegt Osberg-Braun, „maar liever zonder uitzetting. Of anders nog maar even uitstel van dat einde.”

Met medewerking van Merijn de Waal