Oliekoorts

Makkelijk winbare olie raakt op. De vraag blijft stijgen. De teerzanden van Canada bevatten een reusachtige voorraad onconventionele olie. Het land is politiek veilig. Dus investeren oliemaatschappijen er voor miljarden. Shell voorop. Dankzij de hoge olieprijs.

In het afgelegen noorden van de Canadese prairieprovincie Alberta, honderden kilometers van de bewoonde wereld, zijn oliemaatschappijen uit Canada en daarbuiten verwikkeld in een race om ’s werelds grootste en meest uitdagende oliereserves. Hier, in een uitgestrekt landschap van ongerepte natuur en reusachtige open putten en rokende industriële installaties, graaft energieconcern Shell zich een weg naar een van de moeilijkst winbare vormen van zware olie op aarde.

Reusachtige graafmachines dumpen in een open mijn van Shell bakkenvol met zwarte teergrond in huizenhoge kiepwagens. Via de langste lopende band ter wereld wordt de grondstof getransporteerd naar torenhoge verpulveraars en scheidingscentrifuges, waar keien worden verwijderd en zand met behulp van warm water uit het teer wordt gewassen. Wat na diverse spoelcyclussen overblijft is bitumen, een zeer stroperige vorm van zware olie die, verdund en via een pijpleiding, naar een opwerker nabij Edmonton wordt vervoerd. Na opwerking tot ruwe olie – een chemisch proces waarbij waterstof wordt toegevoegd – vloeit het naar een raffinaderij, waar Shell er synthetische, lichte olie van maakt.

Het is een onconventionele manier van oliewinning, erkent Clive Mather, president-directeur van Shell Canada, een Britse olieveteraan met 37 jaar ervaring in Groot-Brittannië, Nederland, Zuid-Afrika en Brunei. „Nooit eerder in mijn loopbaan ben ik betrokken geweest bij oliewinning uit een mijn,” zegt hij op het hoofdkantoor van Shell Canada in Calgary, Alberta. „Dit is heel wat anders dan olie aanboren in Saoedi-Arabië of in de Noordzee.” Maar, zo voorspelt hij, teerzanden of oliezanden zullen in de komende decennia een normale manier van oliewinning worden. „Wegens hun omvang, de almaar groeiende vraag naar olie en de hoge olieprijs.” (zie: ‘Nog even, en ’t is gewoon’).

Shell Canada is bij deze vorm van oliewinning een van de koplopers in de wereld. De Canadese dochter van de Nederlands-Britse multinational (Shell heeft 78 procent van de dochter in handen) heeft op haar beurt een belang van 60 procent in het Albian Oil Sands project, een van de drie winningsoperaties in de Athabasca-regio van Alberta waar de teerzanden worden geëxploiteerd (de twee partners van Shell Canada zijn ChevronTexaco en Western Oil Sands, met elk 20 procent). Twee andere mammoetmijnen, van de Canadese consortiums Suncor en Syncrude, zijn sinds de jaren zestig en zeventig operationeel.

Het miljardenproject van Shell is de modernste winningoperatie van bitumen. Sinds 2003, na een jarenlange bouwperiode die bijna vier miljard euro kostte, wordt er olie gewonnen, inmiddels 155.000 vaten per dag (een vat bevat 159 liter). Het is een operatie van duizelingwekkende schaal. Voor elk vat olie wordt twee ton grond afgegraven; elke kiepwagen bevat 400 ton, ofwel grondstof voor 200 vaten. ’s Winters, wanneer de temperatuur kan dalen tot min 40 graden Celsius, is het graafmaterieel zo broos en de grondstof zo hard dat tanden van de graafmachines regelmatig afbreken.

„Shell heeft een sterke positie in de oliezanden,” zegt Terry Peters, een energieanalist bij Canaccord Capital in Toronto. „Shell beschikt al over een operationeel project waar met succes een mijn en een opwerker zijn ontwikkeld. Daar kunnen ze nu stapsgewijs op voortbouwen. Ik denk dat het moederconcern zijn positie in de teerzanden via Shell Canada beschouwt als een uitstekende, stabiele bron van ruwe olie voor een lange termijn.”

Shell heeft een voorsprong op vele andere oliemaatschappijen die de teerzanden nu in willen duiken en aankijken tegen torenhoge kosten om dat voor elkaar te krijgen. Want er is een internationale run gaande op de oliezanden. Oliemaatschappijen uit Canada en daarbuiten, tot aan China aan toe, hebben bij elkaar 72 miljard euro aan investeringen op stapel staan.

„Iedereen wil een deel van de teerzanden,” zegt Todd Hirsch, econoom bij de Canada West Foundation in Calgary. „In de afgelopen jaren hebben de teerzanden een keerpunt bereikt, van een marginale technologie van de toekomst tot een realiteit van vandaag. Oliewinning uit de teerzanden is niet meer iets aan de horizon. Het is hier en nu, en als je er als oliemaatschappij niet in zit, dan loop je achter.”

Het is niet moeilijk in te zien waarom. De teerzanden vormen een van de grootste oliereserves ter wereld, met naar schatting 2.500 miljard vaten (een vat is 159 liter) op verschillende dieptes. Met huidige technieken zijn ruim 300 miljard vaten te winnen; 175 miljard daarvan bevinden zich in bewezen reserves. Alleen Saoedi-Arabië beschikt, met ruim 250 miljard vaten, over grotere winbare reserves dan Canada.

Naast hun aantrekkelijk grote omvang hebben de teerzanden nog andere belangrijke voordelen. Zo zijn er geen exploratiekosten aan verbonden, in tegenstelling tot conventionele olie, waar een deel van de opbrengst moet worden besteed aan het zoeken naar nieuwe bronnen. Bovendien bevinden de teerzanden zich in een prettig stabiel land met een voorspelbaar fiscaal regime en directe toegang tot de grootste markt voor olie, de Verenigde Staten.

Maar er kleven vrij letterlijk ook grote nadelen aan de teerzanden, die exploitatie lange tijd in de weg hebben gestaan. Hoewel de aanwezigheid van de teerzanden al lang bekend is, is de uitdaging altijd geweest: hoe scheid je de stroperige bitumen zo efficiënt mogelijk van het zand? Pioniers Suncor en Syncrude ontwikkelden en verfijnden decennialang het productieproces, waarbij het zand in feite uit het teer wordt gewassen met warm water en bijtend soda in reusachtige, industriële wasmachines. Voor dat proces moeten bergen grond worden verplaatst en zeeën aan water worden opgewarmd, en dat kost veel moeite, energie en geld – ongeveer 18 à 22 Amerikaanse dollar per vat, vergeleken bij de luttele dollars die het kost om olie omhoog te boren in Saoedi-Arabië. Dat was een barrière toen een vat olie minder dan 20 dollar opbracht, maar bij een olieprijs van rond de 75 dollar per vat zoals nu zijn de relatief hoge productiekosten het grootste probleem niet meer. Gezien de oplopende wereldvraag naar energie, uit China voorop, en de eindigheid van conventionele olie, wordt over het algemeen verwacht dat exploitatie van de teerzanden inmiddels blijvend rendabel is.

Uitdagingen zijn nu eerder van logistieke aard. Oliemaatschappijen staan te dringen om projecten te ontwikkelen in een afgelegen deel van Canada waar de temperaturen kunnen variëren van 40 graden Celsius in de zomer tot min 40 in de winter. Mankracht en materieel voor constructieprojecten vallen nauwelijks aan te slepen, lonen en prijzen stijgen. Fort McMurray, het dichtstbijzijnde stadje in noordelijk Alberta, groeit als kool en zit met een hoge woningnood. „De economie van Alberta is oververhit,” zegt Martin Molyneaux, een olieanalist bij Firstenergy Capital in Calgary. „Er is een groot tekort aan mankracht, en de concurrentie voor ingenieurs, bouwvakkers en andere werknemers is zeer intens.”

Een andere uitdaging is het milieu. Oliewinning uit de teerzanden is een milieuonvriendelijke manier van energieproductie. De teerzandenindustrie vormt de snelst groeiende bron van broeikasgassen, met een uitstoot die driemaal zo hoog ligt als bij conventionele oliewinning, zegt Marlo Raynolds, directeur van het Pembina Instituut, een milieuorganisatie in Calgary. Bovendien kost het veel aardgas, een relatief schone vorm van energie, om bitumen, een veel vuilere brandstof, te winnen. Raynolds vergelijkt het met het omzetten van goud in lood. „Het is zonde om een brandstof van zulke hoge kwaliteit te gebruiken om er een van veel lagere kwaliteit van te maken.”

Ondanks de obstakels stoomt de ontwikkeling van de teerzanden gestaag door. Momenteel worden er 1 miljoen vaten ruwe olie per dag mee gewonnen (op een totale mondiale olieproductie van 85 miljoen vaten ruwe olie per dag); voorspeld wordt dat dat zal oplopen tot 4 miljoen vaten per dag in 2020. De voornaamste drijfveer is dat er niet genoeg goedkope olie over is in de wereld, zegt Hirsch. „Het soort olie zoals in Saoedi-Arabië, waar je een pijp in de grond steekt en het vloeit naar boven, raakt op. Er is genoeg olie over op aarde, maar we moeten er harder voor werken, dieper voor graven. We moeten het uit het zand wassen, zoals we hier doen.”