Horeca trekt allochtonen naar exotische kunst

De plannen van het Rotterdamse Wereldmuseum om met winkels en horeca meer publiek te trekken, vinden bij andere volkenkundige musea begrip, maar geen navolging: „Wij zijn ook niet vies van sponsoring.”

Als in januari de deuren van de expositie Tibet en de 14 Dalai Lama’s sluiten, gaat het Wereldmuseum Rotterdam verbouwen. Het museum wordt een ‘themawarenhuis’. Alleen uitgebreide horeca- en winkelactiviteiten, grotendeels gericht op allochtoon publiek, zouden het voortbestaan van het museum kunnen verzekeren.

Volkenkundige musea hebben te kampen met een matige belangstelling van het publiek. Volgens directeur Steven Engelsman van het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden zouden zulke musea meer allochtoon publiek moeten trekken. Hij ziet dit zelfs als een maatschappelijke plicht. Maar zonder hoge subsidies of sponsorbijdragen is daarvoor onvoldoende geld. Het Wereldmuseum Rotterdam moet zichzelf grotendeels bedruipen.

„Sponsoring en samenwerking met private partijen gaan bij het Wereldmuseum wel een heel grote plaats innemen”, zegt Paul Voogt van het soortgelijke Tropenmuseum in Amsterdam. „Dat zouden wij misschien niet op deze schaal doen, al zijn we niet vies van sponsoring. Het is voor het Wereldmuseum nodig om te overleven.”

Engelsman is blij dat zijn rijksmuseum er dankzij ruime subsidie beter voor staat. „Het is spannend wat er in Rotterdam gebeurt. Het is een stad van ondernemers, dat zie je terug in het museumbeleid.”

Twintig procent van de ruimte in het museum, de voormalige jachtclub van prins Hendrik op de hoek van de Willemskade en de Veerkade, zal worden bestemd voor een restaurant, café, winkel, keuken en feestzaal. Een reisbureau heeft zich al een jaar geleden in het museum gevestigd. „Bij ons kun je culturen zien, proeven, ruiken, horen en beleven.” zegt Stanley Bremer, directeur van het Wereldmuseum. „Wij gaan cultureel ondernemen. De opbrengsten uit de horeca komen in ons fonds voor tentoonstellingen. We houden de activiteiten strikt gescheiden. Als de horeca aanslaat, hebben we geld om betere exposities te maken.” Het Wereldmuseum wordt ‘museaal themawarenhuis’. Open van elf tot elf, gratis toegankelijk en met multiculturele festiviteiten in de balzaal op de eerste verdieping.

Horeca is in volkenkundige musea een populaire en doeltreffende manier om allochtoon publiek te trekken. „Eten is natuurlijk van alle culturen”, zegt Engelsman, „maar ook de vieringen van feesten als Norouz en Chinees nieuwjaar trekken een breed publiek. Twintig procent van ons publiek is allochtoon.”

„Wij kunnen niet anders dan het museum aanpassen. Het klassieke museumbeleid sluit niet aan bij de veranderende samenleving”, zegt Bremer. „Als volkenkundig museum, maar misschien wel alle musea, moet je accepteren dat de bevolking van een stad als Rotterdam aangesproken moet worden vanuit de diverse culturele achtergronden. Deze stad ziet er nu eenmaal anders uit dan voor de Tweede Wereldoorlog.”

Het Wereldmuseum in Rotterdam trekt jaarlijks tussen de 60.000 en 80.000 bezoekers. Het Tropenmuseum heeft 150.000 bezoekers per jaar. Na de verbouwing wil het Wereldmuseum meer dan 100.000 bezoekers. Het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden trekt ongeveer evenveel bezoekers als het Wereldmuseum, maar ontvangt als rijksmuseum 10 miljoen euro subsidie per jaar, tegenover 4,5 miljoen euro voor het Wereldmuseum.

De volkenkundige musea in Nederland zijn verenigd in de Stichting Volkenkundige Collectie Nederland. De grootste collectie is die in Leiden. Het Wereldmuseum komt op een tweede plaats, gevolgd door het Tropenmuseum. Ooit maakten de musea afspraken over welke gebieden zij voornamelijk in beeld wilden brengen. Zij zouden hun aankoopbeleid afstemmen op stukken uit deze regio’s. In de praktijk houden de musea zich daar niet aan. Veel stukken verdwijnen in het depot.

Het Wereldmuseum wil een deel van de collectie afstoten. Het gaat om de minder belangrijke stukken en duplicaten die het depot nooit zullen verlaten. Van de 110.000 voorwerpen uit de collectie van het Wereldmuseum zijn er maar 600 permanent te zien. Bovendien zal de bestuursstructuur worden aangepast. Het nieuwe managementteam wordt niet langer gevormd door mensen met een kunsthistorische of antropologische achtergrond. Volgens de Rotterdamse Raad van kunst en cultuur zijn de functies van gespecialiseerde conservatoren inmiddels al grotendeels opgeheven of bevroren.

Vorig jaar september ontstond ophef over het Wereldmuseum toen Manuel Kneepkens van de Stadspartij het college van B & W kapittelde over de plannen. Aanleiding was kritiek van emeritus-hoogleraar Piet Sanders, die eerder zestig kostbare stukken aan het Wereldmuseum schonk. Hij vond dat het museum onevenredig veel tentoonstellingsruimte opoffert aan horeca. Commercie zou volgens Sanders bij het museum niet voldoende ten dienste staan van de kunst, zo zei hij in interview met het Algemeen Dagblad.

De beslissing van het Wereldmuseum om te gaan samenwerken met commerciële en private partijen past in het beleid van oud-staatssecretaris Medy van der Laan (Cultuur). Zij vond dat musea niet „naar binnen gericht” met collectiebeheer bezig moeten zijn, maar aansluiting moeten zoeken bij andere maatschappelijke sectoren. Bovendien wilde Van der Laan dat musea ‘spannender’ zouden worden om meer jong en allochtoon publiek te trekken.

De Rotterdamse Raad voor kunst en cultuur steunt de plannen van het Wereldmuseum grotendeels, en adviseerde de gemeenteraad in te stemmen. De gemeenteraad had eerder de vrees uitgesproken dat horeca de overhand zou krijgen. „De grens van het instituut ‘museum’ is in zicht gekomen”, constateert de Raad in zijn advies. Maar Hugo Bongers, secretaris van de Raad, ziet dat niet als een bezwaar. „Het maakt toch niet uit of een museum nog echt museum heet? De Kunsthal, het Nederlands Architectuur Instituut, ze maken allemaal geen gebruik van die titel, maar het publiek ziet ze nog wel als zodanig.”