Het Plein van het Slagveld is weer verwoest

De Israëlische bombardementen hebben een spoor van autowrakken, kapotte gebouwen en bomkraters achtergelaten langs de weg van Sidon naar Nabatiye. Van Nabatiye zelf is het centrum verwoest.

Langs de weg die vanuit Sidon de bergen inschiet richting Nabatiye, getuigt een enorm spoor van uitgebrande voertuigen, zwartgeblakerde skeletten van gebombardeerde huizen en grote bomkraters van de nu al vier weken durende Israëlische luchtaanvallen op Libanon. Ook vlakbij de zomerresidentie van de shi’itische parlementsvoorzitter en leider van de pro-Syrische Amalmilitie Nabih Berri in Mseileh is zwaar gebombardeerd.

Er is haast niemand op de weg. Een uur duurt de rit door een prachtig groen, glooiend landschap en volkomen verlaten en verwoeste dorpskernen. De weg leidt tot aan de poort van de stad Nabatiye. Op het kruispunt wordt de reiziger begroet door enorme afbeeldingen van Nabih Berri en Hezbollah-leider Hassan Nasrallah. In de lucht zoemt een klein verkenningsvliegtuigje. In de verte is constant een diep en onregelmatig gedonder te horen: tien kilometer naar het oosten, in Marjayoun, is het Israëlische grondoffensief in volle gang. Soms lijken de explosies heel dichtbij te komen.

Het centrum van de stad is door de bombardementen geheel verwoest. In de hoofdstraat, Souq al-Nabatiye, hangen de rolluiken van de cafés en winkels er verwrongen bij. „De meeste gebouwen zijn zwaar beschadigd of uitgebrand. Er is hier al weken geen leidingwater en elektriciteit meer”, vertelt Bassaam al-Badr al-Dein, een 37-jarige winkelier. Hij wijst op de verwoesting op het centrale plein, Hay al-Midan, letterlijk het Plein van het Slagveld. Nabatiye was voor de Israëlische terugtrekking uit Libanon in 2000 gedurende 22 jaar een frontlijnstad die regelmatig onder vuur genomen werd vanuit posities op de heuvels rondom de stad. „Dit deel van de stad is al bij het begin zwaar gebombardeerd. Kijk, dat bankgebouw daar is eergisteren met vijf raketten verwoest. Er vielen daarbij zes doden”, rapporteert Bassaam.

De stad is leeg. Geen vijf procent van de bevolking is gebleven, zegt Bassaam. Hij en enkele vrienden die op straat wat staan te praten rennen in paniek door het puin en de glasscherven een gedeeltelijk verwoest huis binnen zodra het geluid van Israëlische gevechtsvliegtuigen nadert. „We zijn ook hier, in het centrum van de stad, in gevaar”, zucht Bassaam.

Feisal Komaiha, die tien dagen na het begin van de Israëlische bombardementen op 12 juli vanuit het dorp Kfar al-Sir met zijn vrouw en kinderen naar Beiroet vluchtte, wil naar zijn dorp om zich ervan te vergewissen dat zijn buren en kennissen ongedeerd zijn en zijn eigen woning er nog staat. Twee kilometer ten zuidoosten van Nabatiye bevindt zich de meest vooruitgeschoven positie van het Libanese leger. Bij de controlepost staan drie roestige tanks. Een officier vertelt dat het hier in de buurt de laatste tijd nog behoorlijk rustig is gebleven, maar hij raadt aan niet te lang rond te hangen in het dorp. „Je bent hier nergens veilig, zelfs in Beiroet niet”, zegt hij.

Verderop zijn de dorpen Qaqaya al-Jisb en Qusaiba verlaten. Qusaiba is die ochtend nog gebombardeerd. Er zwerft alleen een geestelijk gehandicapte jongen rond. De meeste huizen langs de weg naar Kfar al-Sir zijn al een keer bij het vorige Israëlische offensief tegen Hezbollah in 1996 verwoest en sindsdien weer opgebouwd, vertelt Feisal.

Ook in Kfar al-Sir is de schade enorm. Grote bomkraters gapen waar een paar weken geleden nog een nieuw flatgebouw stond. Feisal wijst op de verkoolde resten van een graafmachine: „Dat is de reden waarom ze dit gebouw tot tweemaal toe hebben bestookt.” Door de smalle straatjes in het centrum naderen we het huis van de Komaiha’s. Feisals huis is niet beschadigd. Hij stapt met bevende handen en knikkende kniëen uit: „Ik probeer mijn tranen te bedwingen.”

Op de weg terug staat Haj Yousef al-Bashar bij Nabatiye te liften. Hij wil meerijden tot in Beiroet. Haj Yousef is 75 en hij heeft het samen met zijn 66 jaar oude vrouw Khadija al die tijd uitgezongen, maar vanmorgen heeft een Israëlisch vliegtuig vlakbij zijn huis een raket afgevuurd. Zijn huis in Kfar al-Roumana, een buitenwijk van Nabatiye, staat nog overeind, maar de ruiten en de deuren zijn allemaal kapot door de klap. Hij voelt zich al een paar dagen niet lekker. „Mijn vrouw wil dat ik naar een dokter ga”, zucht hij. Zijn tien kinderen zitten in Beiroet of in het buitenland. Zijn vrouw wilde het huis niet uit.

Als we tegen de avond de shi’itische voorsteden van Beiroet binnenrijden zijn de straten leeg. De bewoners van Hay al-Slim, Bourj al-Barajneh en Shiyyah, drie dichtbevolkte shi’itische wijken dichtbij het Hezbollah-hoofdkwartier, hebben de per strooibiljet bezorgde Israëlische waarschuwing om weg te gaan, ter harte genomen. „Het is de bedoeling om de shi’ieten te straffen voor de steun aan Hezbollah. Het is psychologische oorlogsvoering en terreur om de Libanese regering onder druk te zetten”, denkt Mahmoud al-Sakr in Hay al-Slim. Een buurman, Abu Ali, voegt eraan toe: „Als we sterven, sterven we voor Allah, als martelaren.”