Een rugzak die niet af kan

Hij richtte een stichting op, gaf lezingen. Nadat zijn zoon slachtoffer werd van zinloos geweld ging Jan Kloppenburg de confrontatie aan. Het slokte hem op, met huid en haar. Maar: „Joes is niet helemaal voor niets gestorven.”

Japke-d. Bouma

In de woonkamer staan twee schoenen op een plateautje: een babyschoentje en een legerkistje maat 45. „De eerste schoen van Joes, en zijn laatste”, zegt zijn vader.

Deze maand is het, op 17 augustus, precies tien jaar geleden dat Joes Kloppenburg werd doodgeschopt in de Voetboogstraat in Amsterdam. De meeste Nederlanders zullen weten wie hij was. Dat hij uit was met vrienden, die avond. En dat hij niet kon aanzien hoe twee opgefokte jongens een zwerver trapten, en later twee studenten. Joes riep „Kappen nou”. Daarop keerde een van de geweldplegers zich tegen hem en trapte hem in zijn buik, tegen zijn hoofd, in zijn rug.

Het ambulancepersoneel kon zijn lichaam nog reanimeren, zegt vader Jan Kloppenburg. Maar door de hersenbloeding was zijn geest niet meer terug te halen. Zijn hoofd zat vol met blauwe plekken toen hij stierf. Hij was 26, net als de dader toen die na vijf en een kwart jaar gevangenisstraf vrij kwam, half december 2001. „Er gaat geen dag voorbij dat we niet aan hem denken”, zegt zijn vader.

„Je kan twee dingen doen als je kind is vermoord”, zegt Jan Kloppenburg (1937). Of thuis in je eentje zielig gaan zitten zijn. Óf er iets mee doen. Hij besloot zelf het laatste.

Zijn vrouw ging zich na de dood van Joes inzetten voor de katholieke kerk in Badhoevedorp, waar Joes’ naam nog elke maand ‘afgeroepen’ wordt. Jan Kloppenburg richtte de stichting ‘Kappen Nou!’ op, in 1998. Achteneenhalf jaar lang was hij voorzitter. Koos zijn vrouw ervoor in het openbaar over de dood van Joes te zwijgen, Jan Kloppenburg ging de confrontatie juist frontaal aan. Hij gaf lezingen over zinloos geweld. Hij voerde overleg met belangengroepen, met de ministeries van justitie en VROM. Hij praatte met schoolbesturen, met Koninklijke Horeca Nederland. Hij bezocht andere ouders die hun kind verloren hadden door zinloos geweld. Hij praatte full time over de dood van zijn zoon.

Was de stichting uw therapie om het verlies te verwerken?

„Ja, zo zou je het kunnen zeggen. Het slokte me met huid en haar op. Het voelde als een opdracht. Die drive had ik van hém.”

In 2005 stelde zijn vrouw hem een ultimatum. Of je stopt met de stichting, of we gaan uit elkaar, daar kwam het min of meer op neer. Kloppenburg zag dat het zo niet verder kon. Zestig procent van de ouders die een kind verliezen gaat uit elkaar, zegt hij. Hij haalt er een artikel bij, uit de Libelle, waarin het staat. „Van mijn dochters kwamen ook moppers. Ik zag mijn vijf kleinkinderen amper nog. Ik wist dat ik moest stoppen. Zelf was ik liever nog doorgegaan. Waarschijnlijk tot de dood erop zou volgen. Maar dan had ik mijn relatie op mijn buik kunnen schrijven. Dat is het me zeker niet waard.”

Het afbouwen verloopt niet erg soepel. Hij is al anderhalf jaar bezig, maar er is nog steeds geen geschikte nieuwe voorzitter gevonden. En Kloppenburg wil eigenlijk eerst nog graag een project voor schoolkinderen afronden, met een omroep in Hilversum, voor hij definitief vertrekt. Bovendien blijft hij lezingen geven op scholen en in jeugdcentra. Hij blijft ook ‘adviseur’ van de stichting, zegt hij. En onder het bureau in zijn studeerkamer liggen nog steeds enorme stapels papier, met gele briefjes erbovenop, te wachten op archivering. Stapels artikelen over vermoorde kinderen, documentatie over zinloos geweld, verhandelingen over agressie en de bestrijding ervan. Het zal nog wel even duren voordat Kloppenburg zich heeft losgemaakt van de stichting. „Ik heb moeite met dingen overgeven”, zegt hij.

Vrijdagavond, 7 juli. Het is een enorm lawaai in jongerencentrum Frimangron in de Rotterdamse achterstandswijk oud-west. Een groepje jongens van rond de zeven jaar hangt achter een keihard schetterend computerspel. In het zaaltje staan tien stoeltjes klaar. Hier moet Jan Kloppenburg vanavond een lezing geven.

Hij geeft er zo’n 30 tot 35 per jaar, zegt hij, terwijl hij zich het zweet van het gelaat wist. Veel op scholen, veel op vmbo – probleemjongeren, de doelgroep. Maar vanavond baalt hij. Normaal stelt hij als eis vooraf dat er minimaal veertig, vijftig toehoorders komen opdagen. Nu zijn er niet meer dan een stuk of tien jongeren. Hij heeft zich er een beetje laten inluizen, zegt hij. „Ik heb ook voor driehonderd man in de Universiteit van Amsterdam gesproken”, zegt hij. Dan is Frimangron nogal een contrast.

Als hij begint („Ja beste mensen, ik vind het fijn dat ik iets tegen jullie mag zeggen over hoe het uit de hand kan lopen wanneer je alcohol, al of niet met een drug, mísbruikt”) krijgen de drie jongste jongens in het gehoor, de slappe lach. De oudere (16 tot 20) zitten onderuit gezakt: dreadlocks, petjes, sneakers en baggy broeken. Kloppenburg kon niet erger uit de toon vallen, met zijn poloshirt en zijn ietwat vormelijke taalgebruik.

Hij stelt af en toe vragen aan ‘de zaal’. „Wat is mentaliteit en waar denken jullie dat dat zit”, bijvoorbeeld. Maar hij luistert amper naar het antwoord, hij voelt zich opgelaten en raffelt de lezing af.

„Als je kon wegen in druppels hoeveel wij Joes missen, dan regende het elke dag”, zegt hij, terwijl af en toe nieuwe jongens binnen komen schuifelen en sommigen weer weggaan om te sms’en. „Het is alsof ik een rugzak om heb, maar dan één die ik nooit meer af kan doen.” Dan, in de afronding: „Beste jongens, want het zijn bijna altijd jongens, ik hoop dat niemand van jullie het ooit zover laat komen.” Een verdieping lager begint een drumband te bonken. „Wat een trommeltoestand hè”, zegt Kloppenburg.

Soms denkt Kloppenburg wel eens, misschien heeft het zo moeten zijn. „Als je kijkt naar wat zijn dood allemaal teweeg heeft gebracht. Veel ouders die een kind verloren hebben, waren niet in de omstandigheid dat ze er ook iets mee konden doen, voor de samenleving. Wij hebben die kans wel gekregen. In die zin zijn we gezegend.”

Zijn dood was voorbestemd?

„Dat zeg ik niet. Want dan zeg je dat je het accepteert en dat zal ik nooit kunnen. Maar ik probeer er ook positieve kanten aan te zien.”

Neem de stichting. Kloppenburg is een bekende Nederlander geworden. Hij enthousiasmeerde particuliere initiatieven om zich lokaal in te zetten tegen geweld. Hij had ook zitting in het landelijk platform tegen zinloos geweld op straat, onder voorzitterschap van Wim Deetman. De politiek reageerde door strengere straffen voor geweldsdelicten in te stellen. En er kwam een nieuwe wet die het mogelijk maakt medeplegers van een misdrijf strenger te straffen en een wet die nabestaanden in de rechtszaal spreekrecht geeft. „Jan Kloppenburg is sterk agendazettend geweest”, zegt Hans Boutellier, directeur van het Verwey Jonker instituut en bijzonder hoogleraar Veiligheid en Burgerschap aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Boutellier deed onderzoek naar de ‘zinloos geweld’ burgerinitiatieven die in Nederland rond de eeuwwisseling ontstonden. „Hij heeft de morele verontwaardiging over zinloos geweld, de bezorgdheid, het onbehagen en de verontwaardiging erover heel goed helpen kanaliseren. Dat had ook kunnen omslaan in haat of nergens een uitweg in kunnen vinden.”

Toch moet Boutellier constateren dat anno 2006 de zinloos geweld beweging „over zijn hoogtepunt heen is” (zie kader). Veel particuliere stichtingen zijn verdwenen. De landelijke dag tegen zinloos geweld bestaat niet meer. De landelijke organisatie voor veiligheid en respect (LOVR) die in 2000 werd opgericht is ter ziele. Het lukte niet alle organisaties op één lijn te krijgen, zegt Kloppenburg. „Ik heb me er rot voor gewerkt, maar het bleek heel moeilijk voor veel organisaties om samen te werken. Daar ben ik heel erg over teleurgesteld.”

Ook Stichting Kappen Nou! heeft het moeilijk. In 2004 verscheen er een noodkreet op de site dat als de stichting er niet binnen redelijk korte termijn in zou slagen voldoende financiële middelen te verwerven, gevreesd moest worden voor opheffing. Het onheil werd afgewend na een donatie van rappers Lange Frans en Baas B., die de inkomsten van hun single ‘Zinloos’ aan de stichting ter beschikking stelden. Maar „donaties zijn nog steeds erg welkom”, zegt Kloppenburg droogjes.

Is de maatschappelijke verontwaardiging over zinloos geweld voorbij?

„Als ik eerlijk ben, moet ik zeggen dat dat wel voor een groot gedeelte waar is”, zegt Kloppenburg gelaten. Maar het was het wáárd, zegt hij, zijn werk voor de stichting. „De meerderheid van de bevolking weet wie Joes Kloppenburg is. Hij is niet helemaal voor niets gestorven.”

Jan Kloppenburg formuleert weifelend. Middenin een verhaal kan hij afdwalen. Soms kondigt hij iets aan waar hij het later over zal hebben. En moet er dan aan herinnerd worden. Actiepunten voor de week moet hij meteen op een briefje schrijven. Anders vergeet hij het. „Hou jij bij waar we het allemaal over gehad hebben”, zegt hij. „Mijn korte termijn geheugen is niet meer wat het geweest is. Dat hebben meer mensen die een dergelijk trauma hebben meegemaakt.”

Als u aan Joes denkt, waar denkt u dan aan?

„Aan hoe lief hij was, hoe hij klaar stond voor anderen. Toen hij vijf jaar oud was, bezocht hij bijna dagelijks een zieke buurman. Dat is maar een voorbeeld hoor. Hij had altijd een luisterend oor. Hoe moe hij ook was, als hij een afspraak had, dan ging hij. Hij zei nooit iets af. Ik dacht wel eens ‘denk nou ook eens aan jezelf’. Maar hij ging maar door. Hij zei altijd ‘2000, dat wordt mijn jaar’.”

Er is ons zoveel ontnomen, zegt Kloppenburg. „Het verdriet wordt steeds groter. Ik weet niet wat hij geworden zou zijn. Hij zou juist de maandag na zijn dood beginnen met een nieuwe baan. Hij had mts gedaan, hij was een techneut. Het zwaarste is te zien hoe anderen kinderen krijgen, of trouwen. ‘Dat zal hij nooit meer meemaken’, denken wij dan. Ik weet niet of Joes vader geworden zou zijn, met wat voor vrouw hij zijn leven zou zijn gaan delen. We hebben zo vreselijk zitten huilen, mijn vrouw en ik, bij de bruiloft van Prins Willem Alexander en Máxima. Omdat we ons realiseerden dat wij dat met Joes nooit meer zouden meemaken.”

Er is nog iets anders, dat pijn veroorzaakt. „Dat is dat de naam Kloppenburg niet zal worden voortgezet in Nederland. Ik heb drie dochters en hun kinderen dragen andere namen. Ik had maar één zoon, dat is toch moeilijk voor een vader, als je stamhouder je ontvalt”, zegt Kloppenburg. Daarna slaat hij zijn handen voor zijn gezicht om te huilen. Hij pakt een zakdoek. „Ik realiseer me ineens weer hoezeer ik hem mis.”

Komende donderdag wordt Joes herdacht. Dan komen vrienden en familie bij elkaar. Dat doen ze ieder jaar, maar dit jaar, omdat het tien jaar geleden is, hebben ze er meer werk van gemaakt.

De dag begint in de ochtend, in de Voetboogstraat. Daar branden Kloppenburg en zijn vrouw een kaarsje bij de straattegel die na Joes’ dood door de gemeente Amsterdam gelegd werd. Ze willen er altijd als eerste zijn, op 17 augustus. Om te kijken of alles er netjes bij ligt. Dit jaar is Kloppenburg ongerust of de lichtbak met de letters ‘Help’, die boven de tegel hangt, weer op tijd terug is. Die wordt momenteel gerestaureerd, zo zegt een cafébaas in de Voetboogstraat.

Ergens op 17 augustus is er dan nog een besloten bijeenkomst in het stamcafé van Joes, De Schutter. Er komen hapjes die Joes lekker vond, zegt Kloppenburg: winegums, appeltaart van de Dirk, saucijzenbroodjes, tosti’s. “Achter elke traan die blinkt, schuilt de glimlach van de herinnering”, staat er in de uitnodiging. „Ik wilde er ook graag televisie bij. Maar dat wilden mijn vrouw en mijn dochters niet. Uiteraard respecteer ik dat.”

Voelt u nog woede? Na tien jaar?

„Niet jegens de dader. Dat is maar een zielepoot. Ik heb het wel altijd heel onverstandig gevonden dat hij geen TBS kreeg, destijds. Ik hoop nu maar dat hij iets geleerd heeft. En dat hij niet ooit nog eens een slachtoffer maakt. Waar ik nog wél steeds heel boos op kan worden, is op de ouders van de dader. Zij hebben hem niet in de hand gehad, waardoor dit heeft kunnen gebeuren. Dat vreet me soms op.”

Bestaat de stichting volgend jaar nog?

„Ik weet het niet, maar ik zal er vrede mee moeten hebben, mocht het niet zo zijn. Ik moet het loslaten. Ik kan niet verwachten dat iemand dezelfde drive heeft als ik. Natuurlijk maak ik me er zorgen over. Maar ik heb die boot nu afgeduwd.”

Waar is Joes nu, wat is het beeld dat u daarbij heeft?

„Hij heeft een opdracht in de hemel. Daar geloof ik heilig in. Dat hebben we vlak na zijn dood van een medium gehoord. Ik ga dan niet zitten bedenken, kán dat wel, en hoe werkt dat dan. Ik accepteer het gewoon: het is zijn opdracht andere jonge mensen die voortijdig in de hemel komen op te vangen. Het kan toch niet mooier.”

Zijn dochters en vrouw zeggen soms ‘Had Joes maar niets gezegd, die nacht. Had hij de jongens maar hun gang laten gaan. Dan had hij nou nog geleefd’. „Dat vind ik niet”, zegt Kloppenburg. „Ik vind het juist van karakter getuigen dat hij zijn mond opendeed. Zo wás hij. Hij kon geen onrecht verdragen. De dader heeft die avond acht andere slachtoffers gemaakt. Misschien heeft Joes een tweede dode voorkomen. Ik ben er trots op, dat hij zo was.”