De slag om Debeye 2

De houding van de Nederlandse, geniale Nobelprijswinnaar voor scheikunde, Peter Debye (1884-1966) in de periode van het nazi-bewind in Duitsland leidt tot een opmerkelijke discussie. Sommigen nemen Debye in bescherming, anderen vinden zijn gedrag in de jaren 1933-1940 in Duitsland laakbaar. Frappant is de handelwijze van onze recente Nobelprijswinnaar voor natuurkunde, Martin Veltman. Hij schreef een lovend voorwoord bij het boek Einstein in Nederland van de wetenschapshistoricus dr. S. Rispens, die de feiten over het gedrag van Debye wederom voor het voetlicht heeft gebracht. Veltman schrijft `Daar is tenslotte de affaire-Debye. Ik heb er eigenlijk niets aan toe te voegen, ze wordt in alle duidelijkheid beschreven`. Inmiddels heeft Veltman spijt van zijn woorden. Hij schaart zich in het kamp van de beschermers van Debye, hoewel aan door Rispens vermelde feiten niets is veranderd en evenmin doordat nieuwe feiten beschikbaar zijn gekomen.

De vraag komt op hoe deze `slag om Debye` verklaard moet worden. Is het werkelijk zo ingewikkeld als het nu wordt voorgesteld? In kort bestek wordt aangetoond dat de scheidslijn tussen beide partijen volledig wordt bepaald door het gewicht dat thans wordt toegekend aan de houding van Debye jegens de anti-joodse maatregelen van verbanning tot vernietiging.

Hoewel vanaf 1933 de nazi`s in woord en daad de uitbanning van de joden ter hand namen, besluit Debye in Duitsland te blijven. Als Einstein in 1933 als jood Duitsland verlaat en zijn functie als directeur van het Kaiser Wilhelm Institut für Physik in Berlijn neerlegt, volgt Debye hem zonder enige aarzeling op. Hoewel anderen, zoals de grote natuurkundige Erwin Schrödinger hun ontslag nemen wegens de maatregelen tegen de joden en de toenemende uitingen van antisemitisme op straat, gaat Debye in de nieuw geschapen omgeving actief aan de slag. De Nederlandse natuurkundige Samuel Goudsmit zegt in 1934 zijn lidmaatschap van de Vereniging van Duitse natuurkundigen op. Hoewel zijn voorganger Einstein als jood wordt bespot en beschimpt, blijft Debye op diens stoel zitten. Debye houdt zich daadwerkelijk aan de rassenwetten uit 1935 en voert zodoende het programma van de nazi`s uit. Op 9 december 1938 schrijft Debye als voorzitter een brief aan de nog overgebleven joodse leden van de natuurkundige vereniging, hun lidmaatschap op te geven. Hij voert een maatregel van de nazi`s uit, terwijl hij had kunnen aftreden. Deze feiten, ieder voor zich en in hun onderlinge samenhang, illustreren de onverschilligheid van Debye jegens het lot van de joden.

De vraag waar huidige onderzoekers, journalisten, gemeentebesturen en de universiteiten van Utrecht en Maastricht voor staan luidt: hoe zwaar te tillen aan de onverschillige houding van Debye? Is het gewicht verwaarloosbaar, dan valt Debye nauwelijks iets te verwijten. Zo redeneren de meeste medewerkers van het voormalige Debye Instituut in Utrecht en de wetenschappelijke directeur Jenneskens.

Zo redeneren ook de onderzoekers Hoffmann en Walker en de hoogleraren Van Turnhout uit Delft en Urban uit Juelich, waarmede ik heb gecorrespondeerd. Hetzelfde geldt voor de journalisten Herman de Lang van het Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde en S. Rozendaal van Elsevier. Ook Veltman is nu verdediger van Debye en hij noemt de feiten omtrent diens anti-joodse gedrag `gezeur`.

Hij waarschuwt mij erg voorzichtig te werk te gaan, daar de familie Debye zich aangetast voelt in hun eer. Aan die emotie ligt ongetwijfeld het gevoelen ten grondslag dat aan Debye`s betrokkenheid bij de gruwelijke invulling van het antisemitisme in Duitsland geen gewicht moet worden toegekend. De Colleges van bestuur van Utrecht en Maastricht, het NIOD en dr. Rispens denken hier anders over. Daarom is hun oordeel over het gedrag van Debye in de nazi-periode negatief. De meeste toeschouwers halen hun schouders op. Toen en nu. De geschiedenis herhaalt zich slechts.