De maan heeft een bult en die kreeg hij al vroeg

De opmerkelijke uitstulping aan de achterzijde van de maan dateert uit de tijd dat onze naaste buur nog maar 100 tot 200 miljoen jaar oud was. Dat hebben Amerikaanse astronomen ontdekt door de grootte en vorm van de maanbaan steeds verder naar het verleden terug te rekenen (Science, 4 augustus). Dat de maan niet exact rond is, maar aan de achterzijde in het gebied van de evenaar een beetje uitgedijd, is al bekend sinds de Franse wis- en sterrenkundige Pierre Simon de Laplace er in 1799 in zijn Traité de Mécanique Céleste voor het eerst de aandacht op vestigde.

De maan draait momenteel op een afstand van gemiddeld 385.000 kilometer om de aarde en wel zodanig dat één wenteling om haar as precies even lang duurt als één omloop rond onze planeet. Daardoor houdt de maan steeds hetzelfde halfrond naar de aarde gericht en spreekt men over haar ‘voorzijde’ en ‘achterzijde’. Als gevolg van getijdenwrijving verwijdert de maan zich echter langzaam van de aarde en dat betekent weer dat zij in het verleden veel dichter bij ons moet hebben gestaan. Dat valt ook te rijmen met de theorie dat de maan is ontstaan uit het materiaal van een reuzeninslag op aarde.

Ian Garrick-Bethell en zijn collega’s hebben nu berekend dat de maan 100 tot 200 miljoen jaar na haar ontstaan op een afstand van gemiddeld 160.000 kilometer van de aarde stond. Haar baan had toen tevens een veel grotere excentriciteit. In feite bewoog de maan toen zodanig dat zij tijdens drie omlopen rond de aarde precies tweemaal om haar as draaide – een situatie die zich nu voordoet bij de beweging van Mercurius om de zon. Bij de maan, die toen nog heet en plastisch was, had deze koppeling tussen aswenteling en omloop tot gevolg dat de getijdenwerking periodiek in één gebied het sterkst was, waardoor daar een soort uitstulping ontstond. Tijdens het afkoelen en vast worden van de maan ‘bevroor’ die uitstulping in dat gebied, dat zich momenteel dus aan de achterzijde bevindt. George Beekman