Ceders van de Libanon

Op zoek naar plant en dier in heilige boeken schrijft Maarten ’t Hart over de ceders van Libanon. Daarvan wordt door het hele Woord heen uitbundig de lof gezongen.

Hoe zou het de laatste ceders van de Libanon vergaan? Geen boom wordt zo vaak en met zoveel eerbied in de Schrift genoemd als deze majesteitelijke verschijning. Zijn stam kan een doorsnede bereiken van twee meter, de boom kan soms wel veertig meter hoog worden. Vijftig jaar geleden werden de oudste ceders in het enige nog overgebleven cederbos in Libanon geschat op zo'n 2500 jaar.

We hoeven natuurlijk niet te verwachten dat een regime dat bij zijn misdadige bombardementen zelfs onschuldige vrouwen en kinderen niet spaart, ceders zal ontzien, maar de reuzen groeien waarschijnlijk niet op plaatsen die strategisch gezien van belang zijn. Het laatste cederbos bevindt zich op tweeduizend meter hoogte op hellingen van gebergte dat tot vijfendertighonderd meter reikt.

In de bijbel wordt op vele plaatsen de lof gezongen van de ceder, maar nergens wellicht poëtischer dan in het bijbelboek Ezechiël. In de prachtvertaling van Pieter Oussoren klinkt die lof als een gedicht:

Een ceder op de Libanon, / schoon van takken, / van loof schaduwrijk, / en hoog van stam; / tussen wolkentwijgen / is zijn kruin gegroeid.

Het is natuurlijk merkwaardig dat een boom waarvan de lof door het hele Woord heen zo uitbundig gezongen wordt, niet in het beloofde land groeide, maar ten noorden daarvan. Maar ja, dat beloofde land, ‘overvloeiende van melk en honing’ (twee minder interessante producten die een mens uitnemend kan missen), was natuurlijk een regelrechte flop. Een kaal woestijnachtig lapje grond zonder bodemschatten. Zelfs op de Galapagos-eilanden waren de Israëlieten beter af geweest, en als zij zich daar hadden gevestigd, zou zowel hunzelf als de rest van de wereld een ontzaglijke hoeveelheid narigheid bespaard zijn gebleven.

Omdat de ceder niet in Israël groeide, moest hij ten behoeve van onder meer de tempelbouw uit Libanon geïmporteerd worden. Ten tijde van koning Salomo was Tyrus, ook thans weer veelvuldig in het nieuws, een van de belangrijkste uitvoerhavens. Overigens is het de vraag of die befaamde tempel van Salomo inderdaad van cederhout werd opgetrokken. Wellicht heeft men indertijd toch ruimschoots gebruik gemaakt van het goedkopere jeneverbessenhout.

Ook waar in de bijbel de aangename geur van het cederhout wordt geroemd, in Hooglied en Hosea bijvoorbeeld, kan heel goed sprake zijn van verwarring met soorten van de plantenfamilie Meliaceaea. Van die soorten wordt het aangenaam geurende hout van sigarenkistjes gemaakt en ook van die kistjes kreeg ik in mijn jeugd te horen dat zij waren vervaardigd van cederhout van ‘den Libanon’.

In de bijbel is er soms sprake van dat de ceder wordt gebruikt voor houtsnijwerk. Ook hier de vraag of in dat soort gevallen cederhout niet wordt verward met het hout van Cedrela en Toona dat zachter is en zich beter voor snijwerk leent. Hoe het ook zij, de profeet Jesaja maakt zich vrolijk over lieden die van overgeschoten cederhout een afgodsbeeld maken voor wie zij neerknielen (‘de rest maak ik tot zo’n gruwel, voor een blok hout kniel ik neer’). Merkwaardig toch dat andermans geloof altijd ‘een gruwel’ blijkt te zijn. Beste Jesaja, elk geloof is een gruwel, neerknielen is altijd bespottelijk.

Zelfs in de recentste bijbelvertalingen wordt gerept van het gebruik van cederhout bij reinigingsrituelen die beschreven worden in Leviticus 14 en Numeri 19. Wat daar aan hout door de priesters ten tijde van de tocht door de woestijn gebruikt wordt, kan evenwel nooit of te nimmer cederhout zijn geweest. Geen ceder die in de woestijn kan ontkiemen, laat staan opwassen. Wellicht dat de priesters het hout van een kleine woestijnstruik gebruikten, Sabina phoenicia, de phoenicische jeneverbes die op de hellingen van de Sinaï groeit, maar cederhout – ondenkbaar.

Nu dezer dagen het ‘uitverkoren volk’ om twee ontvoerde militairen terug te halen een heel land vijftig jaar terug in de tijd bombardeert, schieten steeds bijbelteksten door mij heen die reppen van een vreselijk lot van de ceders van de Libanon. Ezechiël 31 vers 14: ‘Tirannen van volkeren hakten hem om en legden hem plat; over de bergen en in alle dalen en zijn twijgen breken af in alle ravijnen der aarde, want allen zijn zij prijsgegeven aan de dood’. Of Zacheria 11 vers 1: ‘Libanon, doe open je deuren, laat een vuur je ceders verteren, huil cypres, want er is al een ceder gevallen en geweldigen liggen verwoest’.

Wat bezielt de Israëliërs ? Zijn ze van mening dat zij al deze misdaden straffeloos kunnen begaan omdat de wedergeboren bandiet in het Witte Huis demonstratief de andere kant opkijkt ? Zoveel is zeker: al deze ellende vloeit uiteindelijk voort uit oeroude, totaal onzinnige religieuze noties met betrekking tot een beloofd land en een uitverkoren volk. Zelfs in mijn familie vond één van mijn ooms, toen bleek dat mijn grootmoeder joods was, en wij derhalve dus ook volgens de joodse wetten, dat hij terstond naar Israël diende te emigreren. Inmiddels is hij, omdat hij zich is doodgeschrokken van de keiharde, buitengewoon agressieve mentaliteit aldaar, allang weer teruggekeerd. In psalm 92 wordt gezegd dat de rechtvaardige zal opschieten als een ‘ceder van de Libanon’. Logischerwijs vloeit daaruit voort dat degenen die de ceders van de Libanon en passant weg bombarderen, het tegendeel van rechtvaardig zijn.