Bruinvissen hebben humor, zij het niet onze humor

Zeebioloog Niels van Elk is kenner van bruinvissen maar ook weer niet. „We onderzoeken ze, maar eigenlijk weten we niet zoveel van ze.” Wel weet Van Elk dat de bruinvis leuk en slim is. „Dat zie je gewoon.”

‘Ze zijn ontzettend nieuwsgierig”, zegt Niels van Elk aan de rand van de Bruinvisbaai, een klotsend zeewaterbassin in het Harderwijkse Dolfinarium. Een van de bruinvissen houdt even halt bij het trekken van radde baantjes en steekt zijn kop uit het water. Met een tranig zwart oog kijkt hij ons twee seconden grijnzend aan en hervat zijn spetterende spurt door het zoute buitenbad.

Van Elk (43) weet, als dierenarts van het Dolfinarium en hoofd van het opvangcentrum van gestrande zeezoogdieren, wat in die dieren omgaat. Ook doet hij onderzoek naar virussen die bij deze dieren voorkomen bij de vakgroep van professor Ab Osterhaus van de Rotterdamse Erasmus Universiteit. Hij krijgt hier ongeveer een dozijn van de anderhalve meter lange dieren per jaar binnen, allemaal gestrand ergens op de Nederlandse kust.

Ze lijden aan uitputting, parasieten, bacteriële infecties, desoriëntatie, of een combinatie daarvan. Een parate ploeg haalt ze op, vroeger met een busje, sinds kort met de speciaal uitgeruste Dolfijnambulance.

„De helft redt het, en de andere helft dus niet.” Dat is slechter geweest. „Vroeger haalden negen op de tien het niet.” De ervaring met de bruinvisopvang begint te tellen. „Soms liggen ze in je armen te rillen van de kou. Maar als je ze dan in een badje doet met water van dertig graden, dan zie je ze zienderogen ontspannen.”

En toch kent hij ze niet. „Honden zijn sociale dieren. Die laten weten als er iets mis is met ze. Die gaan klagen. Aan katten kun je niets zien. Die kruipen weg als ze ziek zijn. Bruinvissen zijn in dat opzicht een soort katten. Ze maken ook geen geluid als ze op het strand liggen. Ja, je hoort het blaasgat. Pffff, in. Pfff, uit. Ik heb wel eens sectie verricht op een bruinvis met volstrekt kapotte longen. Hij had longwormen. Daar was weinig van te merken. Ik dacht toen: beestje, beestje, dat jij nog gewoon ademde.”

Dat Van Elk op deze plek kwam werken, was logisch. Hij studeerde begin jaren tachtig oceanografie en zeebiologie aan de universiteit van Bangor in Wales en later diergeneeskunde in Utrecht. Toen hij dertien was ging hij duiken „vanwege de onderwaterfilms van Jacques Cousteau. Ik was niet de enige die daardoor zijn interesse heeft opgedaan. Die Cousteau heeftvoor duizenden werkloze zeebiologen gezorgd.”

Het Dolfinarium vangt sinds de jaren zestig aangespoelde dolfijnen op, waaronder de bruinvissen vallen. „Daar zat geen plan achter. Er stond gewoon een keer een man voor de deur met een bruinvis in zijn kofferbak.” Pas een paar jaar terug stelde de Stichting Nationaal Onderzoek Dierentuinen (NOD) officieel de existentiële vraag waaróm het Dolfinarium eigenlijk bruinvissen wilde redden. „Natuurlijk komen er dan een heleboel verwarde redeneringen boven, die je daarna probeert te ordenen. Voor hetzelfde geld kun je tenslotte ook erger bedreigde soorten helpen. Dat halve dozijn dat we hier per jaar oplappen en weer uitzetten, maakt voor de wilde populatie van tienduizenden voor onze kust niets uit. Het gaat uiteindelijk vooral om emotionele redenen, je wilt gewoon een mooi dier in nood redden. Maar zonder het voorlichten van het publiek over die dieren en zonder het onderzoek dat we doen zou het volstrekt onverantwoord zijn.

„Mensen en dieren hebben een ingewikkelde relatie. Varkensfokkers hebben zó een paar honderd fokzeugen in de stal staan. Maar als een fokker het over zijn dieren heeft, dan heeft hij het gewoon over de drie geitjes die achter in zijn tuin staan. Bij ons zie je precies hetzelfde. Aan die bruinvissen besteden we energie en geld, maar op het terrein verdelgen we ook ratten, intelligente dieren. Wat is het verschil? Ik ben er nog niet uit.

„Hoe wij dieren bezien is ook aan verandering onderhevig. Vroeger werden bruinvissen gewoon gegeten. Als er in Engeland eentje werd gevangen dan was hij voor de koning. Daar moest iedereen van afblijven. Daar werd een bruinvis nog behandeld als delicatesse, bij ons was bruinvisvlees gewoon varkensvlees. Letterlijk. De Katwijkse achternaam Varkevisser zou eigenlijk Bruinvisvisser moeten zijn. In het Engels heet een bruinvis porpoise, dat is een verbastering van porcpoisson, varkensvis dus. Maar goed, het zíjn echt leuke en slimme dieren, dat zie je gewoon. We trainen ze wel en dan zie je tijdens het trainingsprogram dat ze hun zin proberen door te drijven. Eigenwijze dieren, dat mag ik wel.”

Hij gelooft ook vast dat ze humor hebben, maar, lacht hij, „het is niet onze humor.”

En hij heeft het nog steeds, de ruwe, ongeschonden verwondering voor dolfijnen als hij ze in het wild tegenkomt. „Ik ging duiken in Mexico. Toen we in de boot zaten, passeerde ineens een groep dolfijnen. Ik ging meteen overboord en zag ze langskomen. Op zo’n moment denk je dat je zelf deel van de natuur uitmaakt. Dat heb ik eerlijk gezegd niet wanneer ik door het Dolfinarium loop.”

Een deel van de affectie voor bruinvissen is voor Van Elk beredeneerd. Maar er zit ook iets mythisch aan die dieren. „We onderzoeken ze hier wel, maar eigenlijk weten we niet zoveel van ze. Ze vinden hun eten bijvoorbeeld met sonar, geluidspulsen. We hadden hier een keer een blinde bruinvis en die kon zich prima redden. Hoe goed moet die sonar wel niet zijn?”

En stel je nu eens voor, zegt hij. „Wat doen die dieren op de grote, woeste zee bij windkracht tien? Ze moeten toch eens in de zoveel tijd ademhalen. Hoe flikken ze dat? De bruinvis blijft toch een witte plek op de biologische kaart.”

Met de geneeskrachtige aura die esoterische kringen dolfijnen en walvissen bezorgen, wil Van Elk niets te maken hebben. „Die mensen hebben, denk ik, een behoefte aan religieuze beleving en dat hebben wij wetenschappers ze grotendeels afgenomen. En dat geven we ze lekker niet meer terug.”

We lopen verder naar een soort overdekt zwembad waarin drie bruinvissen met elkaar spelen. Twee daarvan worden deze week vrijgelaten, eentje heeft maar een oog en kan zich mogelijk niet meer zelf in de natuur redden. „Als ze zelf forellen kunnen vangen dan gaan we er maar van uit dat ze dat in zee ook kunnen. Maar vooral bij gestrande jonge bruinvissen is het lastig te bepalen of ze terug kunnen. We hebben daarom een regel bedacht. Bruinvissen kalveren in juni of juli en zogen hun jongen gedurende een maand of tien. Tijdens die periode krijgen de kalfjes steeds minder melk en worden ze gedwongen garnalen te vangen, of puitalen, die eten ze ook veel.

„Vinden we in december een jonge bruinvis op het strand dan moeten we ervan uitgaan dat hij nog maar halverwege de opleiding is die hij van zijn moeder krijgt. Vinden we er eentje later, dan kan hij, na te zijn opgelapt, terug naar zee. Zijn ze jonger, dan blijven ze bij ons.

„We zetten ze uit vanaf een bootje op de Waddenzee, vaak in de buurt van een wrak, want daar zit altijd vis. Dat is een raar moment hoor. Je hebt ze maandenlang intensief behandeld. Zeer intensief. En dan doen ze ‘plons’ en dan moeten ze het zelf maar uitzoeken.”

De afgelopen jaren is het aantal bruinvissen dat bij het Dolfinarium binnenkomt gestaag toegenomen. „Hoe dat komt is niet duidelijk. Het is wel zeker dat de populatie bruinvissen in de Noordzee de laatste jaren is toegenomen. Maar niemand weet of ze bijvoorbeeld gedesoriënteerd raken door scheepvaartverkeer, windmolenparken of olieboorplatforms.

„Ik zit met een groot dilemma als ik op het strand bij een aangespoelde bruinvis aankom. Want dan moet ik een diagnose stellen. Uiteindelijk wil je, om het zakelijk te stellen, het dierenleed zoveel mogelijk minimaliseren. Soms is meteen duidelijk dat het dier in grote nood verkeert. Maar soms kun je helemaal niet zien dat een bruinvis zich onbehaaglijk voelt. Ik bedoel: ik heb hier ook wel bruinvissen in een bassin gehad die meteen zo springlevend waren dat ze leken te zeggen: wat doe ik hier?

„Daarom kijk ik met twee blikken naar een gestrande bruinvis. Eén: wat heeft hij? En twee: heeft het zin om hem op te lappen? Kijk, dát hij op het strand ligt betekent al dat het niet goed met hem gaat. Dat mag ook niet te lang duren. Hoewel bruinvissen wat dat betreft meer kunnen hebben dan walvissen. Als iemand opbelt en zegt dat er al drie uur een potvis op het droge ligt dan zeg ik dat ze die niet meer met touwen naar het diepe hoeven slepen. Op het droge zijn ze veel zwaarder dan in zee, dus die dieren hebben dan waarschijnlijk zoveel interne verwondingen opgelopen dat er geen redden meer aan is.

‘En soms moet je dus besluiten om het dier te laten inslapen. Nee, dat is niet leuk. Voor mij. Ik geloof niet dat het dier er zelf last van heeft. Dat heeft pijn en is er daarna vanaf. Kort geleden heb ik nog euthanasie gepleegd op een oude zeehond. Die kon niet meer. Dat verliep heel gladjes. Hij gleed weg en had niets in de gaten. Ik heb er sectie op verricht. Ze ruiken hetzelfde als bruinvissen. Die lucht blijft nog lang aan je handen hangen. Een mengeling van lever met iets vissigs.”