Broodje omelet, iets zoets, en doorlopen

Wat te eten tijdens het wadlopen? Marjoleine de Vos maakt clafoutis

Hoe natter en winderiger het weer, hoe minder picknick. Zo zijn de regels. Maar in de zomer, en zeker midden in de vakantietijd, moet de mens nu eenmaal naar buiten. Dat hoort. Er moet gewandeld en gefietst en vaak zegt men optimistisch: als je buiten bent valt het best mee, dan regent het veel minder dan je denkt. Soms is dat ook zo. Soms ook niet. Soms ben je buiten aan het wandelen of fietsen en dan is het zeer nat, en na een poosje ben je zelf ook zeer nat, en álles is zeer nat, inclusief je boterhammen, en het enige wat je nog wilt is ergens zijn waar het droog is en daar pannenkoeken eten of kroketten met brood of heel veel soep. Drank, ook. En als je dat allemaal hebt gehad wil je niet meer naar buiten en je wilt ook beslist je natte jack niet meer aan en niks.

Dus zoiets moet je niet doen.

Bij slecht weer is het devies tijdens een tocht: niet naar binnen gaan tot het voorbij is.

Maar hoe dan met de picknick?

Ik was laatst wadlopen. Bij wadlopen spring je bij wijze van start meteen tot aan je enkels in de stinkende zwarte blubber en probeert dan om niet om te vallen. Dat is nog niet makkelijk. Het blubberwater loopt meteen je schoenen in en doorweekt je sokken en de blubber zelf probeert je meteen je schoenen uit te trekken. Als je een veter beter vastmaakt zijn ook je handen pikzwart. Het beste is meteen door te glijden met een soort schaatsbewegingen, dan kom je al spoedig van top tot teen vol modder te zitten en naarmate je vordert en het water af en toe flink stijgt, spoelt die modder er ook weer af. Alles is nat. Als je dan eindelijk een pauze kunt nemen sta je op een piepklein bergje mosselen. Geen plaats voor een picknickkleed, geen plaats om ergens een glaasje neer te zetten (alcohol is trouwens verboden tijdens het wadlopen) en ook geen plaats om te gaan zitten. Het picknicken neemt dus de vorm aan van een wandeling waarbij je wat eet.

Zorg 1 bij natte omstandigheden is het zodanig verpakken van de picknick dat alles droog blijft, en zorg 2 is wat voor soort dingen zich goed laten inpakken zonder er onooglijk, klef, sponzig, rimpelig of anderszins verpieterd uit te gaan zien. Zorg 3 is eigenlijk zorg 1a: wat laat zich goed al lopend eten.

Broodjes natuurlijk weer. Krentenbollen. Appels. Marsrepen (na een paar uur wadlopen krijgt een mens wilde lust in een Mars).

Na een broodje met heerlijke omelet (eerst uien gebakken, dat is cruciaal voor de smaak van het geheel, toen salami met venkelzaad, veel blokjes tomaat, feta, oregano en tot slot bovenop de eieren, peterselie) was het toch spijtig dat er niets anders was dan nóg zo’n broodje met heerlijke omelet. Bij nader inzien had ik het liever anders gehad: 1 boterham met heerlijke omelet, 1 boterham met koud, knoflokig gehakt en 1 stuks zoetigheid.

De volgende dag clafoutis gemaakt, van pruimen, die zijn er nu immers volop. Clafoutis is van zichzelf lekker klef, lekker compact en biedt precies die mengeling van zoet en fruitig die tijdens een natte wandel- of fietstocht zo welkom is. Met een thermosflesje met thee erbij zou het een ideaal later-in-de-middag-hapje geweest zijn, gemakkelijk al moddertrappend op te eten.

Verwarm de oven voor op 200 graden. Snijd een pond pruimen in vieren, pitten eruit, en beleg daar een ingevette bakvorm van 26 cm doorsnee mee. Giet er beslag op, gemaakt van 2 eieren en een eierdooier, 125 gram suiker, 75 gram gesmolten boter, 75 gr. bloem en 2 ½ dl. melk. Laat 40 minuten bakken. Bestrooi de warme taart met vanillesuiker.

Hoe erg het ook regent, waait of moddert: een puntje van zo’n taart verzoet alles.