Betrappen en betrapt worden

1356

Een spionnetje is een buitenspiegel, bevestigd aan een raamlijst, in een zodanige hoek dat degene die binnen zit precies kan volgen wat er op straat gebeurt. De voorloper van de videocamera en de schotelantenne. Het spionnetje was er vooral ten gerieve van niet meer goed ter been zijnde gepensioneerden in dorpen en kleine steden. Zo konden ze nog een beetje op de hoogte blijven van wat er in de buitenwereld aan de hand was. Niet veel.

Ik dacht eraan toen ik las dat een journalistieke knecht van de mediatycoon Rupert Murduch is gearresteerd op verdenking van het afluisteren van troonopvolger Prins Charles. Weer die arme Charles. In 1993 werd hij al wereldnieuws nadat een verslaggever een hartstochtelijk gesprek tussen hem en Camilla Parker-Bowles, nu zijn vrouw, toen nog zijn halfgeheime vriendin, had afgeluisterd en in de krant gezet. Ik moet zeggen: het ging ver, maar juist daarom zou je dat niet bekend moeten maken. En nu heeft daar weer iemand gezeten, met zijn hypergeavanceerde apparatuur, in de hoop dat de vorst zich zou vergalopperen. Je zou eens een film moeten maken, beginnend met beelden van de afluisterende verslaggever, daarna het gezicht van Murdoch als hij hoort van de vangst en tenslotte van het miljoenenpubliek terwijl het van de lectuur geniet. Die film zou ik graag willen zien.

Jaren geleden kregen we op de redactie langzamerhand de overtuiging dat er een dief in de lokalen was. Dingen ‘raakten weg’, dachten we eerst. Dat heb je soms met dingen. Maar het gebeurde met steeds grotere frequentie. Er moest iets aan gedaan worden. In een kast die we expres niet op slot hadden gedaan, werd lokaas neergezet, een kistje dat eruit zag als een schatkistje, met daarin een biljet van vijf gulden. Zo lang geleden is het. Achterin, onzichtbaar, was een videocamera opgesteld. Die zou automatisch gaan draaien als de kastdeur werd opengedaan.

Volgende dag. Vijf gulden weg! We bekeken de videoband. Langzaam ging de kastdeur open. Een hand. In het schemer van de achtergrond verscheen een gezicht. Iemand bukte zich, het gezicht werd duidelijker. Kistje open, vijf gulden eruit, kastdeur dicht, einde voorstelling. De dief was ontmaskerd: iemand van de schoonmaakploeg. Tot zover niets bijzonders. Maar nooit zal ik het gezicht vergeten. Het had de uitdrukking van de spanning die de in het geheim verrichte wederrechtelijke daad veroorzaakt. Daar was geen spoortje van acteren of aanstellerij bij. Het was honderd procent echt. Dezelfde uitdrukking die je bij een spelend kind aantreft. De dief was ontmaskerd, werd ontslagen, zoals het hoort in een ordelijke samenleving.

Alles wat strikt particulier is, moet je in beginsel als geheim beschouwen. Aan de andere kant: alles waarmee geld te verdienen valt, wordt tot een beroep, en dus ook het verrichten van geheime daden. Daaraan heeft Big Brother, het televisieprogramma, zijn bestaan te danken. Nog niet voor een miljoen zou ik me met een stuk of wat andere mensen in een speciaal huis laten opsluiten – een huis waar overal camera’s en microfoons staan – om dan een maand of langer alles te doen alsof ik in mijn normale doen was, terwijl ik wist dat er een paar honderdduizend mensen meekeken. Maar ze stonden in de rij om mee te doen, en Big Brother werd wereldamusement.

Hoe je het ook wendt of keert, de geheime daad van de een is het vermaak van de ander, en als die er een beroep van maakt, wordt het entertainment. ‘Niemand is groot voor zijn kamerdienaar,’ heeft eens iemand gezegd, waarschijnlijk een beroemde Fransman in de negentiende of eind achttiende eeuw. Ik heb geen zin om het op te googlen. In ieder geval ben ik het er niet mee eens. Als de kamerdienaar van bijvoorbeeld Diderot of Talleyrand zijn meester de gewone dingen van het leven zag doen, en hij besloot daaruit dat die ‘tenslotte ook maar een gewoon mens was’, dan verdiende hij het om als niet meer dan een kamerdienaar te sterven. Dat is lang geleden.

In deze tijd worden we, terwille van de veiligheid, het nieuws en het entertainment, nog iedere dag door meer apparatuur omgeven. Het kan niet anders of deze omgeving heeft invloed op het algemeen gedrag. Mijn hypothese is, dat de mensen steeds achterdochtiger worden en tegelijkertijd zich steeds meer als een waargenomene gaan gedragen. Ik bedoel het gemiddelde. Ze gaan harder praten, zich conform de regels van de dag dramatischer gedragen, ze willen geweldiger zijn in hun voorkomen en leuker in hun woordkeus en zinsbouw, ze gaan meer bekken trekken. In de samenleving van de alzijdige waarneming is de naïeve onbedorvenheid op de terugtocht.

Altijd weer vindt de mens een oplossing voor de problemen die hij zich door het scheppen van een nieuwe omgeving zelf heeft gemaakt. Hij past zich aan. Alleen prins Charles is naïef gebleven. Ik heb sympathie voor hem.