Zou dit hopeloze ding het doen?

Robert Oppenheimer was welbespraakt en betrokken, maar net niet geniaal genoeg.

Deze week herdacht Japan de atoomaanvallen op Hiroshima en Nagasaki.

Het verhaal van de mannen die het nucleaire tijdperk inluidden is een van de grote drama’s van de moderne geschiedenis. Een verhaal van wetenschappelijke ambitie en overmoed, van persoonlijke opoffering en verraad, van spionage en paranoia. In de niet aflatende stroom boeken waarin de ontwikkeling van de atoombom van alle kanten wordt belicht, ontbrak een ‘definitieve’ biografie van Robert Oppenheimer (1904-1967), de man die aan Amerikaanse kant aan het hoofd van de ontwikkeling stond. Zijn leven werd in vele boeken opgehangen aan de gebeurtenissen in de periode 1942-1954: van zijn aantreden in Los Alamos, waar hij op verzoek van generaal Groves de leiding op zich neemt van het Manhattan project,tot aan het moment dat hij als potentieel staatsgevaarlijk burger zijn security clearance en daarmee al zijn politieke invloed verliest.

In American Prometheus zijn Kai Bird en Martin Sherwin er als eersten in geslaagd Oppenheimers hele leven in al zijn nuances neer te zetten: van zijn jeugd in een rijke, Duits-joodse familie in New York, zijn bijdrage aan de ontwikkeling van de Amerikaanse theoretische natuurkunde in het begin van de 20ste eeuw, tot aan zijn laatste jaren als directeur van het gerenommeerde Institute for Advanced Studies in Princeton, waaraan ook Einstein verbonden was.

Oppenheimer wordt in al zijn complexiteit getoond: enerzijds grenzeloos arrogant – een gevolg van zijn rijke en beschermde jeugd in New York – anderzijds vol mededogen voor hen aan de onderkant van de sociale ladder; steeds een niet aflatende steun voor zijn aan drank verslaafde echtgenote Kitty, terwijl hij haar tegelijkertijd voortdurend bedroog. En dan zijn bijna onverklaarbare gelatenheid tijdens de verhoren van de Senaatscommissie, terwijl hij als een briljant spreker bekend stond die zijn lezingen doorspekte met erudiete verwijzingen en citaten in vele talen.

Hoe Oppenheimer verwikkeld raakte in de politieke roerselen van het atoomtijdperk staat in American Prometheus in al zijn helderheid beschreven. Na de oorlog groeide hij net als alle natuurkundigen uit Los Alamos uit tot een nationale held, en werd hij de voornaamste adviseur van de Atomic Energy Commission. In zijn opvattingen was hij sterk beïnvloed door zijn vroegere leermeester Niels Bohr, die hoopte dat het gevaar dat uitging van atoomwapens landen tot een dialoog zou dwingen, om zo gezamenlijk de verspreiding van kernwapens onder controle te houden. Samen met een groep industriëlen en ingenieurs verwerkte Oppenheimer deze ideeën in 1946 in het Acheson-Lilienthal rapport voor president Truman. Die wist niet goed wat hij er mee aan moest, zeker niet met het idee dat de Verenigde Staten hun nucleaire geheimen moesten delen met de rest van de wereld. De discussies over het rapport sleepten zich voort in de Verenigde Naties, totdat de Amerikanen in 1949 volledig verrast werden door de eerste test van een Russische atoombom en de ontmaskering van Klaus Fuchs, één van de wetenschappers in Los Alamos, als een communistische spion. De paniek sloeg toe, de bereidheid tot praten was verdwenen en halsoverkop werd de ontwikkeling van een nog krachtiger wapen ter hand genomen: de waterstofbom.

Oppenheimer zag daar helemaal niets in: ‘Ik weet niet eens zeker of dat hopeloze ding het wel doet, en als die het doet heb je een ossenwagen nodig om hem naar zijn doel te brengen.’ Hoewel hij in die jaren op het hoogtepunt van zijn politieke macht stond, maakte hij met dit soort uitspraken veel vijanden, die uiteindelijk zijn val zouden bewerkstelligen. Hoe ze daarbij te werk gingen is ronduit stuitend. Lewis Strauss, de voorzitter van de AEC, Edward Teller, de vader van de waterstofbom, en de Amerikaanse luchtmacht wisten de regering en haar ambtenaren te mobiliseren en manipuleren om niet alleen Oppenheimer veroordeeld te krijgen, maar verder ook elke vorm van kritiek of protest vanuit de wetenschappelijke wereld de kop in te drukken. Het lekken van informatie, illegaal afluisteren door de FBI, misleiden van de president, het onthouden van informatie aan de verdediging, alles was toegestaan. De angst voor de communisten in die beginjaren van de Koude Oorlog, zat er diep in. Oppenheimer werd op dubieuze gronden veroordeeld, al was hij volgens Sherwin en Bird nooit lid geweest van de communistische partij – ‘[...] iets wat de FBI na vele jaren ook tandenknarsend had moeten concluderen’. Net als Gregg Herken in zijn uitstekende Brotherhood of the Bomb uit 2002, komen ze echter tot de conclusie dat hij veel nauwere banden met communisten moet hebben gehad dan hij zelf wilde toegeven. Hoe dan ook, zijn loyaliteit heeft altijd bij zijn land gelegen.

David Cassidy beziet Oppenheimer vooral in zijn rol als natuurkundige, als inspirator van een groot aantal jonge fysici, op wie hij vaak een magnetiserende invloed had. Wanneer hij door Princeton liep met zijn studenten, dan zeiden de inwoners: ‘Kijk daar heb je de moederkloek met haar kuikentjes’. Hij constateert terecht dat Oppenheimer als natuurkundige net niet geniaal genoeg was. Toen hij op het toneel verscheen, stond de quantummechanica al grotendeels in de steigers, door de inspanningen van mensen als Pauli, Dirac en Heisenberg, allemaal ook net even ouder dan hij. Hij werkte in Cambridge en Göttingen en werd op jonge leeftijd hoogleraar aan de universiteit van Berkeley én het California Institute of Technology, maar zijn wetenschappelijke rol was al uitgespeeld toen zijn land in 1942 een beroep op hem deed.

Kai Bird en Martin J. Sherwin: American Prometheus. The Triumph and Tragedy of J. Robert Oppenheimer. Alfred A. Knopf, 721 blz. €35,–

David Cassidy: J. Robert Oppenheimer and the American Century. Prentice Hall, 480 blz. €35,65