Ze hebben wél een punt

Aan de haat en het breed uitgemeten slachtofferschap van extremisten, gaan vaak wel degelijk reële ervaringen vooraf. Pankaj Mishra laat dat zien in een boek over verscheurdheid.

Pankaj Mishra: Temptations of the West. How to be Modern in India, Pakistan and Beyond. Picador, 439 blz. € 29,50

De titel van het nieuwe boek van Pankaj Mishra, een in Engeland wonende Indiase schrijver die eerder opviel door zijn essayistische reisboek over de Boeddha, lijkt op het eerste gezicht misleidend. Want als het tegenwoordig over de verleidingen van het westen gaat, rijst al snel het beeld op van moslims die datgene haten waartoe ze zich het sterkst voelen aangetrokken – de westerse vrijheden, de westerse consumptiedrift, de westerse technologie. Dat thema duikt ook hier en daar op in Temptations of the West .

Mooi is bij voorbeeld Mishra’s observatie dat het huidige Pakistan, dat zich krachtig in de greep van een fundamentalistische, antiwesterse islam bevindt, meer overeenkomt met het beeld van het oosterse alternatief dat de hindoe Gandhi voor ogen stond dan het exuberant kapitalistische India van tegenwoordig. Maar de verscheurdheid waar dit boek over gaat beperkt zich juist niet tot die gezapige analyse – wat wij hebben, willen zij ook, en daarom haten ze ons.

Mishra laat op een overtuigende manier zien dat de haat en het extremisme in landen als India, Pakistan, Afghanistan en Nepal maar ten dele worden veroorzaakt door de angstwekkende verleidingen van het westen. Veel vaker liggen er reële grieven aan ten grondslag. De afstotende incidenten die hier zo nu en dan het nieuws halen – uitzinnige slachtpartijen in Kashmir, aanslagen van maoïsten in Nepal, uitingen van verblind jihadisme in Pakistan – komen niet uit de lucht vallen. Ze blijken stuk voor stuk een lange, ingewikkelde en gewelddadige voorgeschiedenis te hebben – meestal te ingewikkeld voor het westerse nieuwsbedrijf.

Die ‘verleidingen’ uit de titel had Mishra dan ook beter confrontaties kunnen noemen. In zijn voorwoord stelt hij dat het onderliggende thema van zijn reportages de vraag is hoe mensen met tradities die duizenden jaren oud zijn, zichzelf kunnen moderniseren. Maar die vraag geldt niet alleen voor voorheen de Derde Wereld. Ook in veel westerse landen is door globalisering en immigratie de eigenheid in het geding gekomen; in een land als Nederland zie je net zo goed aan de ene kant de gretigheid waarmee de toenemende eenheid van de wereld wordt gevierd en aan de andere kant een heftige reactie tegen het dreigende identiteitsverlies. De reacties zijn onmiskenbaar minder extreem dan in India of Pakistan, maar ze zijn wel vergelijkbaar.

Neem het hindoe-fundamentalisme. In het eerste deel van zijn boek neemt Mishra dat eigenaardige en onverkwikkelijke fenomeen onder de loep met een kritische blik zijn leermeester Naipaul waardig. Ook het radicale hindoeïsme heeft een lange voorgeschiedenis en je kunt het zien als een reactie op de verliefdheid op het westen van veel Indiase intellectuelen tijdens de nadagen van het Britse koloniale bewind. De ingrediënten zijn die van het extreme, religieuze nationalisme: een mythische opvatting van India als heilige hindoe-natie, waarin minderheden alleen getolereerd kunnen worden als ze zich onderwerpen aan de spiritueel superieure eigenheid van de hindoes.

Net als bij het geloof in een zuivere moslimnatie gaat het om een even dwingende als onmachtige fantasie, en net als bij het radicale islamisme ging het om een door het fascisme geïnspireerde ideologie die na de Tweede Wereldoorlog geruststellend marginaal leek.

Maar de afgelopen dertig jaar is het hindoe-fundamentalisme, tegen de verwachting in, mainstream geworden. Het is vooral de nieuwe, welgestelde middenklasse van Indiase hindoes die zich tot de BJP, de partij van het hindoe-fundamentalisme, heeft bekeerd en zich laat voeden met de dreigende samenzweringsretoriek van de partijleiders die India voortdurend voorstellen als een natie die zowel van buiten als van binnen bedreigd wordt. In dat opzicht zou je het kunnen zien als een welvaartsziekte, het natuurlijke effect van toenemende welvaart en verwesterlijking, ware het niet dat de effecten funest zijn: tegen de eeuwige Angstgegner Pakistan dreigt men om de zoveel jaar met een atoomoorlog en in het eigen land worden moslims tot zondebok gemaakt, wat om de zoveel tijd tot pogroms en slachtpartijen leidt.

Mishra legt het schaamteloze opportunisme van de Indiase politici bloot. Eerst Indira Gandhi, die het nadrukkelijke secularisme van haar vader Nehru met de mond beleed, maar uit electoraal belang al gauw hindoe-sentimenten bespeelde, en later de leiders van de BJP, die letterlijk over lijken gaan, zoals bij de eeuwigdurende kwestie van Ayodhya, een heilige plaats waar in 1992 een omstreden moskee door opgehitste hindoes werd gesloopt, omdat er op die plek, de vermeende geboorteplaats van de hindoegod Rama, een tempel gestaan zou hebben.

Achter veel religieuze opwinding gaat politiek machiavellisme schuil. Mishra laat zien dat het genoeglijke gebabbel in het westen over de gewelddadige aard van verschillende godsdiensten, in de eerste plaats natuurlijk de islam, de ware oorzaken van dat geweld verhult: religieus extremisme is uiteindelijk altijd politiek. In de sociale bovenlagen van India en Pakistan worden religieuze sentimenten gebruikt om de bevolking te mobiliseren; Mishra schetst een genadeloos portret van een Pakistaanse generaal, die zich uit zuivere carrièrezucht bekeerde tot het jihadisme.

Dat de gewone mensen in de landen waar Mishra doorheen reist, zich tot extremisme laten verleiden (het gaat altijd om minderheden), wordt begrijpelijk wanneer hij hun geschiedenis verhaalt. Allen hebben te maken met uitbuiting en vernedering, sociale uitsluiting en armoede. De Indiase moslims zijn lang resistent gebleven tegen de verleidingen van de radicale islam, maar de aanhoudende hetze tegen hen door de hindoe-meerderheid drijft hen onherroepelijk in de armen van de gifspuiende mullahs. De tragedie van Kashmir is volgens Mishra begrijpelijk wanneer je de excessen van decennia van het Indiase militaire schrikbewind onder ogen ziet; er bestaat voor hem een logisch verband tussen het groeiende aantal door Pakistan gesteunde moslimterroristen en de door de Indiase militairen geterroriseerde moslims.

Die tegendraadse opvatting heeft Mishra, afkomstig uit een familie van Brahmanen, de kaste die fervent de BJP aanhangt, in de Indiase pers de beschuldiging van nestbevuiling en landverraad opgeleverd. Maar de schrijver toont zich gelukkig even autonoom als Naipaul, die zich met zijn vroege reportages over India ook tot een gehate figuur maakte.

Mishra hoedt zich voor een al te naïef begrip voor de radicale islam, maar hij laat wel duidelijk merken dat hij de westerse voorstelling van het wij tegen zij als leugenachtig en zelfgenoegzaam beschouwt. Hij laat ook zien dat het breed uitgemeten slachtofferschap van veel extremistische moslims wel degelijk terug te voeren is op werkelijke vernederingen.

Het somberste hoofdstuk van zijn boek gaat over Afghanistan, dat vanaf het einde van de 19de eeuw voortdurend speelbal is geweest van de grootmachten. Nadat de Amerikanen eind jaren tachtig actief het jihadisme hadden gesteund om de Sovjet-Unie op de knieën te dwingen, lieten ze het land aan zijn lot over, ten prooi aan krijgsheren; de Talibaan waren voor veel Afghanen, onder wie de huidige president Karzai, het antwoord op de chaos en anarchie.

De populariteit van het jihadisme wordt deels veroorzaakt door een psychologische afkeer tegen de westerse hegemonie, maar komt ook voort uit plaatselijke, traumatische geschiedenissen. Die tekent Mishra per land op met een genadeloze, niet door hysterie of ideologie vertroebelde blik – en daarin ligt de verdienste van zijn boek.