Sporen van schuld

Overlevenden van de holocaust waren nergens welkom. Uniek voor Polen is dat daar zelfs nieuwe geweldsuitbarstingen tegen joden volgden. Historicus Jan T. Gross boort opnieuw diep in de mythe van Polen als verzetsnatie.

Jan T. Gross: Fear. Anti-Semitism in Poland after Auschwitz. An Essay in Historical Interpretation.Princeton University Press, 303 blz. € 31,49

De vernietiging van de joden in Europa was lange tijd het schoolvoorbeeld van goed en kwaad. De schuldvraag leek eenvoudig te beantwoorden: zonder Hitler geen holocaust. Maar met het verstrijken van de jaren wordt de massamoord een steeds ingewikkelder vraagstuk, want meer en meer bewijzen komen boven drijven van medeplichtigheid van de bevolkingen in de door de nazi’s bezette landen. Zo worden slachtoffers ineens daders.

Deze verruiming van het historische beeld is goed, al was het maar omdat het antisemitisme geen Duitse uitvinding was. In tal van Europese samenlevingen waren deze waanbeelden al ruim voor de oorlog diep doorgedrongen. Een van die landen is Polen, waar de weerzin tegen de joodse minderheid bijna spreekwoordelijk was. Nergens was de joodse aanwezigheid zo groot – een tiende van de bevolking – en nergens was de massamoord zo omvangrijk.

Wie had gedacht dat het antisemitisme na de ervaringen van de oorlog en de concentratiekampen op het eigen grondgebied wel voorgoed zou zijn gediscrediteerd, kwam na de oorlog bedrogen uit. Want hoe is het mogelijk dat in Polen de mensen die joden tijdens de oorlog hielpen onderduiken lange tijd niet wilden dat hun verhaal bekend werd? Hoe komt het dat ze na de bevrijding moesten vrezen voor bedreigingen en erger, wanneer die burgermoed ter ore zou komen aan hun buren?

In zijn nieuwe boek laat de uit Polen afkomstige Amerikaanse historicus Jan T. Gross in pijnlijke details zien hoe zeer de overlevenden van de holocaust bij terugkeer werden veracht en vervolgd. Het dieptepunt is wel de pogrom in Kielce op 4 juli 1946, toen tegen de tachtig joden omkwamen door toedoen van hun stadsgenoten. Maar Gross maakt aannemelijk dat deze pogrom, die internationaal grote weerzin opriep, was ingebed in een alomtegenwoordig antisemitisme, dat tegen alle verwachtingen in niet door de gebeurtenissen tijdens de brute bezetting van Polen was gediscrediteerd.

In dit boek zet Gross het onderzoek voort dat hij begon met Neighbours, het onthutsende relaas van de moord op 1600 Poolse joden door hun buren in het dorpje Jedwabne (besproken in Boeken, 06.04.2001). Dat boek leidde in Polen en ver daarbuiten tot een heftig debat en tot meer onderzoek, waaruit duidelijk werd dat deze massamoord in het midden van de oorlog onderdeel vormde van talrijke vergelijkbare moordpartijen, die geen van allen onder dwang van de Duitse bezetters plaats vonden, maar voortkwamen uit eigen initiatief.

De toon van Gross in Fear is vergelijkbaar met zijn vorige onderzoek naar hoe buren tot beulen werden en is die van een openbare aanklager: hij verzamelt met grote zorgvuldigheid alle bewijsmateriaal om vervolgens des te indringender de schuldvraag te kunnen stellen. Ergens in zijn nieuwe boek laat hij zich ontvallen: ‘Dit is een historische studie, geen verhaal met een moraal’. Men begrijpt wat hij bedoelt, maar Gross is er uitdrukkelijk op uit om de morele vragen te belichten, ook al is zijn methode er een van historische interpretatie.

Hij wil weten waarom er in het naoorlogse Polen weinig ruimte was voor mededogen ten opzichte van de overlevenden van de concentratiekampen en sterker nog, hoe een samenleving in vrijwel alle geledingen meewerkte om de overlevenden uit te drijven, al dan niet met geweld. Het is niet makkelijk om de eigen verantwoordelijkheid in tijden van oorlog en vreemde overheersing vast te stellen. Daarom is het zo belangrijk om te zien wat er na de bevrijding gebeurde, toen er geen mogelijkheid was zich te verschuilen.

Dat Gross zich op de uitbarstingen van geweld concentreert is terecht, want een vergelijking met de ontvangst van de joodse overlevenden in andere landen leert dat ze nergens werkelijk welkom waren. De samenlevingen die uitgeput waren na jaren van bezetting en alle energie bijeen hadden geraapt voor de jaren van wederopbouw, stonden eenvoudigweg niet open voor het leed van de joodse medeburgers. Zeker in het getraumatiseerde Polen – het land werd als geen ander gemangeld tussen nationaal-socialisme en communisme – was er weinig ruimte voor mededogen.

Nee, in dat opzicht waren de Polen niet uniek, maar wel in de uitbarstingen van geweld tegenover de joodse overlevenden, die het leven van naar schatting tussen de vijfhonderd en vijftienhonderd mensen kostte. Gross wil weten hoe dat moet worden verklaard, maar laat eerst heel precies zien waar het geweld de kop op stak. Vooral op het platteland waren er talloze incidenten, maar ook in de culturele hoofdstad van Polen, Kraków, liepen de gemoederen hoog op tijdens een uitbarsting van vijandigheden op 11 augustus 1945.

Dat bleek het voorspel voor de veel omvangrijkere pogrom in Kielce een jaar later. De aanleiding was de vermissing van een Pools jongetje, dat overigens twee dagen later weer opdook, maar een verhaal opdiste dat hij door joden zou zijn meegenomen. Als zo vaak ging het om weinig meer dan geruchten, die waren gebaseerd op middeleeuwse mythologie over de joden die christelijke kinderen ontvoeren. Sprookjes met helaas moorddadige gevolgen, want uit het incident groeide een ware slachting, waar duizenden burgers verspreid over de hele stad aan deelnamen. Daarbij geholpen door ordetroepen, die of passief toekeken of een handje hielpen.

Gross gaat uitvoerig in op de manier waarop een joodse vrouw, Regina Fisz, en haar kind, worden vermoord. Ze wordt door een viertal mannen uit haar appartement gehaald. Op straat houden ze een wildvreemde vrachtwagenchauffeur aan, die bereid is om tegen betaling van duizend zloty de vrouw en het kind mee te nemen naar buiten de stad. Daar wordt ze omgebracht door de vier mannen. Wat Gross schokt in dat verhaal is dat de vier mannen elkaar niet kenden en ook de chauffeur niet, maar er blijkbaar van uit konden gaan dat ze allemaal gelijk gestemd waren.

Telkens is Gross erop gericht om te laten zien hoezeer het geweld was ingebed in een veel bredere weerzin tegen de joden. Wat opvalt is dat hij weinig ingaat op het proces dat na de pogrom werd gehouden. Hij heeft kritiek op de afhandeling, maar er werden wel negen mensen ter dood veroordeeld en vele anderen bestraft. Dat wijst er toch wel op dat de Poolse autoriteiten doordrongen waren van de ernst van wat er was gebeurd en door harde straffen een voorbeeld wilden stellen om een herhaling te voorkomen.

Wel laat deze studie goed zien hoe halfhartig de Poolse communisten waren in hun omgang met het antisemitisme. Maar halfhartig is iets anders dan gelijkgestemd. Terwijl de hogere echelons van de partij proberen het antisemitisme in te dammen, blijkt het lagere kader daarvoor allerminst immuun te zijn. Pogingen om na de pogrom van Kielce in verschillende bedrijven van de regio protesten te organiseren mislukken volkomen, omdat de arbeiders het geweld rechtvaardigen en niets ophebben met hun joodse medeburgers. Om niet aan populariteit in te boeten, kiest de partij ook de weg van de minste weerstand: er komt wel een proces tegen de aanstichters van de pogrom, maar verder wordt het onderwerp taboe in het communistische Polen.

Naast de communistische partij, of beter daar tegenover, staat een andere institutie: de katholieke kerk. Gross spaart de geestelijke leiders niet en wat we aan officiële reacties van die zijde onder ogen krijgen is verschrikkelijk. Behoudens een bisschop die de pogrom in ronde bewoordingen veroordeelt, legt de hiërarchie alle schuld bij de joodse gemeenschap zelf. Uit angst om zich te vervreemden van de stemming onder de bevolking, maar meer nog uit diepe overtuiging,

Namens een onderzoekscommissie van kerkelijke zijde schrijft bisschop Kaczmarek in een verklaring onder meer: ‘Joden zijn niet geliefd, worden zelfs gehaat op het hele grondgebied van Polen’. Waarom? ‘Joden zijn de belangrijkste pleitbezorgers van het communisme in Polen, terwijl de Poolse natie het communisme niet wil en het met dwang wordt opgelegd’. Dat verwijst naar het thema van de zogenaamde ‘zydokomuna’, het judeo-communisme, dat al vóór de oorlog een onderwerp was. Gross laat wel zien dat de vooroorlogse communistische partij verhoudingsgewijs veel joodse leden had, maar als geheel een zeer marginaal bestaan leidde. De naar schatting zevenduizend joden die lid waren konden moeilijk aangemerkt worden als representatief voor een gemeenschap van meer drie miljoen mensen.

Leden van de gedecimeerde joodse gemeenschap, waarvan een deel uit gevangenschap in de Sovjet-Unie terugkeerde, speelden een rol in het naoorlogse communisme. Maar Gross beschrijft ook hoe het antisemitisme eind van de jaren veertig, in de nadagen van Stalin, de kop opstak in de Sovjet-Unie en de rol van de joodse communisten marginaliseerde. Dat gold evenzeer voor Polen, dus een van de belangrijke rechtvaardigingen van het antisemitisme, die overigens tot de dag van vandaag een rol speelt, blijkt weinig steun te vinden in de historische werkelijkheid.

Terwijl een punt van kritiek op zijn eerdere boek Neighbours was dat Gross weinig oog had voor eerdere pogingen om de getroebleerde verhouding van joden en Polen aan de orde te stellen, kunnen we nu zeggen dat hij uitvoerig ingaat op de reacties van tijdgenoten op de pogrom in Kielce. En het moet gezegd dat, ook al werden ze niet of nauwelijks door het grote publiek gehoord, de bittere aanklachten van intellectuelen over het naoorlogse antisemitisme talrijk waren.

De beroemde Poolse socioloog Stanislaw Ossowski zocht een jaar na de pogrom wanhopig naar een mogelijke verklaring voor het hevige antisemitisme: ‘We zouden kunnen bedenken dat, wanneer het ongeluk van de één voordeel oplevert voor een ander, de neiging opkomt om zichzelf en anderen ervan te overtuigen dat een dergelijk ongeluk moreel gerechtvaardigd was. We zouden erop kunnen wijzen dat dit precies de situatie is waarin de huidige eigenaren van voorheen joodse winkels zich bevinden’.

Gross sluit aan bij deze overwegingen, maar geeft ze als verklaring voor het naoorlogse antisemitisme een radicalere wending. Angst is het centrale begrip dat hij gebruikt om de houding van de gemiddelde Poolse burger te beschrijven. De titel verwijst ernaar. Algemene waanbeelden met betrekking tot de ontvoering van christelijke kinderen of het vooroorlogse antisemitisme volstaan niet als verklaring: ‘De naoorlogse haat tegen de joden was te dodelijk, te wijdverbreid, te ongetemd om in iets anders te zijn gefundeerd dan concrete, tastbare angst’.

Waar waren de Polen dan bang voor? Door de overlevenden werden ze geconfronteerd met hun medeplichtigheid aan de holocaust. Tal van Polen waren direct betrokken geweest bij de moord op hun medeburgers: de massamoord speelde zich anders dan in landen als Frankrijk en Nederland niet alleen af in ver afgelegen kampen, maar een aanmerkelijk deel van de slachtoffers kwam ter plekke om. Daarnaast hadden velen zich op grote schaal meester gemaakt van de eigendommen van hun landgenoten. Dat laatste gebeurde ook elders, maar omdat de joodse bevolking in Polen zo omvangrijk was – tien procent van de bevolking, eenderde van de stadsbevolking – ging het om enorme belangen. Door de vernietiging van de joden was er een sociale stijging mogelijk gemaakt voor een aanmerkelijk deel van de Poolse bevolking.

Gross vermoedt dat de medeplichtigheid niet alleen geen plaats bood aan mededogen, maar omsloeg in regelrechte vijandigheid tegenover de terugkerende joden. Een mengeling van schaamte en kwetsbaarheid maakte het onmogelijk om de overlevenden weer op te nemen in hun midden. Integendeel, de overlevenden herinnerden dagelijks aan de wijdverbreide betrokkenheid bij de moord en bij de toeëigening van bezittingen. ‘De allergische reactie van de Poolse samenleving tegenover de joodse overlevenden kan alleen worden begrepen doordat de Poolse buren de joden tijdens de oorlog leed hadden berokkend’.

Het vorige boek van Gross leverde een storm aan reacties op. Dat kwam omdat de massamoord in Jedwabne voor de meeste Polen een schokkend nieuw gegeven was. De pogrom van Kielce is weliswaar lange tijd een taboe onderwerp geweest, maar was allang bekend en zal dus minder ontzetting veroorzaken. Tegelijk boort Gross nu dieper in de oorlogsmythe van Polen als verzetsnatie. Niet dat hij het omvangrijke verzet tegen de bezetters wil ontkennen, maar de vaststelling dat de medeplichtigheid aan de moord op miljoenen joden zo wijdverbreid is zal opnieuw tot een heilzaam zelfonderzoek aanzetten.