Onophoudelijke stofstorm

Arnon Grunberg reisde voor deze krant mee met de manschappen van de Nederlandse militaire ISAF-missie, die de komende twee jaar helpt bij de wederopbouw van de Afghaanse provincie Uruzgan. Aflevering 2: in een Hercules naar het kamp in Kandahar.

Om half tien in de avond stonden wij op appel voor hotel Millennium in Sharjah, in de Verenigde Arabische Emiraten.

Het eerste appel van mijn leven, hopelijk niet het laatste.

Van een opstelling was geen sprake, we stonden maar wat door elkaar, met de handbagage op de grond of over onze schouder. Een blondine van een jaar of negentien, een soldaat, huilde. Toen ik beter keek zag ik dat het geen huilen was maar een verkoudheid.

Wanneer hun naam werd geroepen, antwoordden sommige militairen: „hier”. Met een rollende ‘r’ die mij jaloers maakte. Anderen hielden het op „present”. Weer anderen op „present, majoor”. Een enkeling riep, „ja”, en één militair maakte daar „yo” van. Zelf antwoordde ik „ja”, in de veronderstelling dat „present majoor” aanstellerig zou overkomen.

Nu we compleet waren – er waren geen deserteurs, geen korporaal was tot de conclusie gekomen dat er voor hem ook veel nuttigs te doen viel in de Verenigde Arabische Emiraten – konden we een tweede poging doen Kabul te bereiken, nadat de eerste poging wegens mist was mislukt.

Op het appel merkte ik dat twee militairen uit Litouwen met ons mee reisde. Je deed wat voor elkaar als NAVO-lidstaat. Litouwen kon moeilijk voor twee man een vliegtuig naar Afghanistan laten vliegen. Misschien hadden ze niet eens vliegtuigen. Uiteindelijk is die hele NAVO één groot vreemdelingenlegioen.

Schuin achter mij stond Dennis van luchtmobiel met wie ik zeven uur lang een kamer had gedeeld. Meer dan een kamer, een bed, tandpasta, en hij had gezegd, „als je een tandenborstel nodig hebt?” In de brief van Defensie stond dat ik een scherfvest en een helm uitgereikt zou krijgen, maar dat ik zelf voor verschoning moest zorgen. Die verschoning zat nog in het vliegtuig.

De rest van de groep was het gewend, leven zonder verschoning.

Dat leven had ik altijd als een strikt individuele bezigheid gezien. Ook binnen een familie, een bedrijf of een gezelligheidsvereniging, je leefde alleen en voornamelijk voor jezelf. Maar bij het moderne vreemdelingenlegioen behoefde deze opvatting correctie. Er bestond hier een wederzijdse afhankelijkheid die niet doorbroken kon worden. Liggend naast Dennis was het tot me doorgedrongen dat ik iemand zou moeten vinden om wie ik me kon bekommeren, opdat men zich om mij zou bekommeren.

De tocht naar het vliegveld. Sharjah in de avond. Enkele militairen maakten foto’s van fel verlichte restaurants. Er werd gefluisterd over soepjurken. De Arabier in zijn natuurlijke omgeving.

Oorlog was een vorm van toerisme. Actief toerisme.

Voor de belastingvrije winkel op het vliegveld kwam ik in contact met twee F16-vliegers. De ene heette T-Band. Zo heette hij niet echt, er zijn weinig ouders die hun kind T-Band noemen, waarschijnlijk is het zelfs verboden. Maar T-Band legde uit dat F16-vliegers altijd een bijnaam hebben om verwarring in de lucht te voorkomen. Er zijn talloze Marks, er is slechts één T-Band. Waarom hij T-Band was genoemd wilde hij niet zeggen. In Afghanistan zou ik een jongen van de luchtmacht tegenkomen die was omgedoopt tot Midget. Hij was ongeveer van mijn lengte.

T-Bands collega had nog zijn eigen naam op het uniform geplakt: Martin.

Martin studeerde aan de universiteit van Wageningen, maar de biochemie was hem gaan vervelen, toen had hij zich aangemeld bij de luchtmacht. Hij had er geen spijt van. Hij was nog een keer teruggegaan naar Wageningen. Na de F16 kwam het hem benauwd voor, zo’n laboratorium.

In de F16, legde hij uit, werkten gigantische g-krachten op je in, daarom werd je eerst in soort van centrifuge gestopt om te wennen. Je moest bewijzen dat je je bewustzijn niet zou verliezen, ook als je bloed sneller dan ooit uit je hersenen zou stromen.

Ik had ooit een boek gelezen over een mishandeld jongetje dat regelmatig in een centrifuge werd gestopt door zijn ouders.

„Ja,” zei Martin, „zo’n schietstoel kun je ook niet te vaak gebruiken. Dat is een aanslag op je wervelkolom. Je wordt in elkaar gedrukt als een pakje boter. En je bent gekrompen na de schietstoel. Je bent een centimeter of drie kleiner.”

Zou dat de reden zijn dat er zo weinig vrouwelijke F16-piloten waren? Een gekrompen baarmoeder, daarin wil vast niet veel groeien.

Verder hoorde ik dat de Balkanoorlog voor de F16-vliegers vakantie was geweest. Ze zaten in een hotel in Noord-Italië, en af en toe vlogen ze uit. Een rondje boven het voormalige Joegoslavië en weer terug naar Noord-Italië.

„Daar ben ik ook op vakantie geweest”, zei ik.

De F16-jongens waren anders dan de andere militairen. Misschien omdat ze altijd alleen in de lucht zaten of omdat ze er rekening mee hielden dat ze zouden gaan krimpen. En echt groot waren ze toch al niet.

Meer militairen kwamen bij ons staan. Het gesprek moest maar een andere richting op. „Tijdens de Vietnamoorlog,” zei ik, „waren in Saigon tienduizenden prostituees actief. Hoe zit dat, jullie zijn lang van huis, is er wat vertier in Afghanistan?”

Voor een van de aanwezigen kon antwoorden, zei een woordvoerder van Defensie: „Wij ontspannen ons met de bingoavonden.”

Het beeld van de oorlog moest opnieuw worden bijgesteld. Na het bombardement: de bingoavond.

T-Band liep weg. Ook op de grond liep hij alsof g-krachten op hem inwerkten.

In de koffiebar bestelde ik nog maar een espresso. Militairen praatten over de toekomst. Een van hen zei: „Ik schiet liever een verkeerde neer dan eentje te weinig.”

Toen ik me omdraaide werd het gesprek op gedempte toon voortgezet. Dat was waar overleven op neerkwam: voorkomen de verkeerde te zijn.

We gingen het vliegtuig weer in, ik kwam in de rij naast overste Nico terecht. De man van het tankbataljon, die man die de wereld zag als een doorgangsplek voor schitterende tanks. „Hoe gaat het, overste?” vroeg ik.

„Ik heb haast zei,” zei hij, „ik moet naar Tarin Kowt. Ik heb daar veel te doen.” „Hoe zit het eigenlijk,” vroeg ik, „mag er nooit worden gedronken als het Nederlandse leger op missie gaat?”

„Op de Balkan,” zei hij, „hadden we de regel van twee biertjes per avond. Maar dat was een ramp.”

„Vertel”, zei ik zacht.

„Ach,” zei hij, „je hebt altijd militairen die niet drinken, en dan zei zo’n jongen, ga jij nog eens een biertje voor me halen. Dan worden twee biertjes drie biertjes en drie biertjes worden zes biertjes en voor je het weet zit je op tien biertjes. Nee, dit is beter, gewoon helemaal geen drank.”

Hij keek alsof hij over een veldslag vertelde waarbij hij een paar tanks had verloren en ik noteerde in mijn boekje: twee biertjes op de Balkan.

In het vliegtuig vroeg een militair of ik in Kabul zou blijven. „Ik weet het nog niet,” antwoordde ik, „ik heb gehoord dat ik misschien een nacht in Kabul moet blijven.”

„Oh,” zei de militair, „dan zul je wel in Hotel de Blaffende Hond worden ondergebracht.”

„Wat is dat voor een hotel?” vroeg ik. „De Blaffende Hond?”

„Dat zul je wel zien,” antwoordde hij, „het doet zijn naam in ieder geval eer aan.”

Ik sloot mijn ogen. Ik hoefde er geen moeite voor te doen, ik droomde over hotel De Blaffende Hond.

Eindelijk vroeg in de ochtend: Kabul International Airport. Een civiele luchthaven die voornamelijk fungeert als luchtmachtbasis. Al vliegt bijvoorbeeld Austrian Airlines op Kabul. Voor de zakenmannen. In Afghanistan kun je snel rijk worden, je kunt er ook je leven verliezen, maar aan alles hangt een prijs. Oorlog biedt ongekende mogelijkheden voor de snelle beslisser.

Een officier wijst me op een klein vliegtuigje van het Rode Kruis, zonder raampjes, dat aan het opstijgen is. „Dat zijn van die rare vluchten,” zegt hij, „waarschijnlijk CIA.”

Onze aankomsthal is een tent voor Nederlandse militairen waar koffie wordt geschonken. Het beste is, besluit ik, de anderen te volgen. We schijnen nu onze spullen uitgereikt te krijgen.

Ik ga in een rij staan. De hitte valt mee, maar het is nog vroeg. Ik kijk om me heen of ik hotel De Blaffende Hond ontwaar, maar er is geen hotel te bekennen. Tenten, af en toe een jeep die voorbijkomt, een Franse militair die aan het joggen is. Dit is dus Kabul, althans het gedeelte van Kabul dat veilig is voor ons westerlingen die stabiliteit, vrede en voorspoed naar het verpauperde land komen brengen.

Een militair spreekt me aan. „Heb jij een wapen?” vraagt hij.

„Nee.”

„Waarom sta je dan in de rij voor munitie?”

„Een goede vraag”, antwoord ik.

„Ik ben Fons,” zegt hij, „ik ben verantwoordelijk voor de pers hier in Kabul. Kom mee, dan krijg je een scherfvest en een helm.”

Ik suggereer dat small mijn maat is als het om helmen gaat, als het om alles gaat eigenlijk, maar small blijkt te klein voor mijn hoofd. Medium is uitverkocht, ik krijg een large. Het scherfvest weegt meer dan mijn bagage en ik ben gewend flink wat mee te slepen.

„Slaap ik vannacht in hotel De Blaffende Hond?” vraag ik aan Fons.

Even kijkt hij wantrouwend. „Wat weet jij van De Blaffende Hond?”

„Ik hoorde erover praten.”

„Ik zal eens uitzoeken wat er met jou gebeurt.”

In de schaduw van een tent wacht ik wat er met mij zal gaan gebeuren. Naast mij militairen die het evenmin weten. „Is het normaal?’ vraag ik, „dat je niet weet wat er met je gebeurt, dat niemand dat weet?”

„Dat is heel normaal”, zegt een meisje. „Je moet het ook niet willen weten.”

Een officier wijst in de lucht. „Kijk,” zegt ze, „Amerikaanse Apaches, zie je? Die beschermen die helikopter in het midden.”

Fons komt terug. Hij weet wat er met mij gaat gebeuren. „Je vliegt over een halfuurtje met de eerste groep naar Kandahar, je gaat met de Canadezen mee.”

Hij geeft me een hand.

„Heb het goed in Kandahar”, zegt Fons met een ironische blik.

„Ga jij niet mee?” vraag ik.

„Ik heb Kandahar al gezien,” zegt hij, „ik blijf in Kabul.”

Anderen hebben hun scherfvest al aan en helm op. Mij is het nog te vroeg en te heet daarvoor. Ik sleep het scherfvest achter me aan als een dierbaar maar dood huisdier.

Het is twintig minuten wachten, dan kan de eerste groep aan boord. We vliegen in een Canadese Hercules. Iemand zei tegen me: „De Hercules is het werkpaard van de luchtmacht.” Ik kijk naar het werkpaard.

De Canadese bemanning controleert de wapens van de militairen. Niemand mag met een geladen wapen aan boord. Dan houdt de Canadese piloot voor zijn Hercules een korte speech. Hij verklaart dat we waarschijnlijk bij het opstijgen een „low flying tactical maneuver” moeten gaan uitvoeren. De introductie beëindigt hij met de woorden: „Think of us for your future travel needs.”

De scherfvesten moeten nu echt aan, we klimmen aan boord. Van binnen ziet de Hercules eruit alsof hij niet geheel ten einde is gebouwd. Achterin staat op een grote hoop onze bagage.

De Canadezen delen oordopjes uit. Ik houd ze in mijn hand. We zitten naast elkaar met onze rug tegen de wand van het vliegtuig. Door de scherfvesten die nog al veel ruimte in beslag nemen, zitten we vrijwel op elkaar.

De motoren worden gestart.

Een militair naast me wijst op de oordopjes. „Ik vlieg veel,” zeg ik, „ik heb ze niet nodig.”

„Oprollen en in je oren stoppen,” schreeuwt hij, „je bent in een Hercules.”

Ik stop ze in mijn oren.

In Apocalypse Now had ik gezien dat een soldaat in een helikopter op zijn helm was gaan zitten om te voorkomen dat zijn ballen eraf zouden worden geschoten. Ik houd mijn helm in de buurt van mijn kruis, maar een Canadees gebaart me dat ik hem moet opzetten. Ilse van de luchtmacht, die naast me zit, helpt me met de riempjes.Een zak met Engelse drop gaat rond.

Achterin het vliegtuig staan twee Canadezen, ieder aan een kant van het vliegtuig, en zij staren geconcentreerd uit een raam. Ik vermoed dat ze in de gaten houden of mensen toevallig op ons zullen gaan schieten.

Zelf zien we niets, alleen de andere militairen. Ik ruik ze, voel ze.

Direct na het opstijgen beginnen de tactische manoeuvres. Niet lang daarna begint het kotsen. Eerst zie ik één militair met een kotszakje, later zie ik er meer. Aan de tactische manoeuvres lijkt geen einde te komen. Ik heb de indruk dat de sfeer in de Hercules ietwat gespannen is, maar ik weet niet of dat met het kotsen te maken heeft of omdat men stiekem het idee heeft dat we hier niet levend uit zullen komen.

Later hoor ik dat de Hercules flares heeft afgevuurd. Flares zijn warmtebronnen gemaakt van magnesium, die gebruikt worden om raketten die op warmte afkomen te misleiden. „Maar,” zegt een Nederlandse militair als we op de grond zijn, „dat betekent niet perse dat er echt op ons geschoten is. Zo’n Hercules is heel gevoelig afgesteld, die flares komen al in werking als iemand op de grond zijn auto aan het lassen is.”

Laten we het daarop houden: net toen wij overvlogen was een Afghaan zijn auto aan het lassen. Laswerk moet ook in Afghanistan gebeuren.

Als we onze vlieghoogte hebben bereikt, houden de tactische manoeuvres op en mogen we onze helm afzetten. Ik houd hem maar weer voor mijn kruis. Nog altijd zie ik militairen met zakjes voor hun mond.

Voordat we aan de landing beginnen moeten de helmen weer op. De Canadezen nemen hun posities achterin het vliegtuig in.

De piloot maakt bekend dat het zicht eigenlijk te slecht om te landen. We zullen nog even blijven cirkelen.

Uiteindelijk landen we toch. De piloot, hoor ik later, heeft het risico genomen omdat er zieken aan boord waren.

De eerste stappen op Kandahar Air Field, in de volksmond genaamd KAF, en daar houd ik het op: KAF. Een storm van zand en stof die alles in een nevel hult. Intense hitte. Tenten, containers, in de verte iets wat op een wachttoren lijkt.

We worden in een bus geladen. Ik volg de anderen, ik wacht op een gunstig moment me te ontdoen van het scherfvest.

We rijden, maar er is niets om je te oriënteren. De ene tent lijkt op de andere, de ene container is niet te onderscheiden van de ander. Af en toe prikkeldraad met een bord: Restricted Area. Stay out. En tussendoor een onophoudelijke storm van stof. Ik ben in een kamp beland, denk ik, dit is een kamp.

We worden uitgeladen. Iemand, ik weet niet meer wie, vertelt ons dat het zaak is veel te drinken en daar ook meteen mee te beginnen. Flesjes water worden uitgedeeld. Ik zie een grote poster waarop twee woorden staan: Heat Kills.

Over enkele minuten, wordt bekendgemaakt, krijgen we een welkomstgroet en een veiligheidsbriefing.

We worden naar een tent gebracht. Koude lucht komt uit buizen met gaten die aan het plafond van de tent hangen. De buizen lijken van papier-maché gemaakt. Iemand zegt: „Als je koud water wilt, moet je je flesje in die buis duwen.”

Op KAF is de koelkast een buis aan het plafond. Zoals een militair zei: „Je moet niet willen weten wat er met je gebeurt”, zo moet je geloof ik ook niet te veel willen begrijpen.

Kolonel Henk, de commandant, heet ons welkom. Daarna komt een militair over de veiligheid praten, hij heeft een laptop bij zich en een beamer.

„Om te beginnen,” zegt de man van de veiligheid, „leven wij hier in zulu-tijd.”

Even ben ik in de war. Zulu associeer ik met Afrika. Heb ik me per ongeluk ingeschreven voor een missie naar Congo?

Zulu-tijd blijkt Amerikaanse-leger-tijd te zijn, in de zomer twee uur vroeger dan Nederlandse tijd.

Je kunt natuurlijk niet hebben dat het centrale commando een bombardement bestelt om 17.00 uur en dat je dan eerst moet uitzoeken, Afghaanse tijd? Pakistaanse tijd? Iraanse tijd? Eén vliegtuig, één bom, één tijd: zulu-tijd.

„Maar,” gaat de man verder, „we zitten met verschillende nationaliteiten in dit kamp. De Canadezen leven bijvoorbeeld in plaatselijke tijd, viereneenhalf uur later dan Nederlandse tijd. Dus als je een afspraak met iemand maakt, vraag even, bedoel je plaatselijke tijd of zulu-tijd? Anders staat een van beiden zes uur voor jan lul te wachten. Op 1 augustus als het commando wordt overgedragen gaat de zulu-tijd er misschien uit, maar tot die tijd leven wij, denken wij en dromen wij in zulu-tijd.”

De woorden ‘zulu-tijd’ worden geprojecteerd.

Even meen ik in een verfilming van Joseph Hellers roman Catch-22 terecht te zijn gekomen, maar de man gaat alweer verder: „Luchtalarm. Soms worden er kleine raketjes op het kamp afgevuurd, niets om over naar huis te schrijven, wel onpraktisch. Als het luchtalarm gaat, ga je met scherfvest en helm naar de dichtstbijzijnde bunker. Is er geen bunker in de buurt, ga je niet als een dolle hond door het kamp lopen rennen, dan ga je onder een bed liggen. Denk niet, ik doe aan deze flauwekul niet mee, want dan bestaat de kans dat je zó terugkeert naar Nederland.”

Een plaatje wordt getoond van een erewacht en een lijkenkist die op luchtmachtbasis Eindhoven uit een vliegtuig wordt getild.

Ik vraag me af hoe ik een bunker moet vinden in deze woestijn.

Later zal een militair zeggen: „Als je het alarm hoort, heb je het overleefd. Waar het om gaat zijn de minuten vóór het luchtalarm.”

De grote vraag is dus: hoe vind je de minuten voor het luchtalarm?

(wordt vervolgd)

Defensie heeft dit verhaal gescreend op informatie die de veiligheid van de troepen in gevaar kan brengen. De tekst is niet aangepast.