Nostalgisch nationalisme

Een linkse Britse regisseur met een film over de Ierse onafhankelijkheidsstrijd die de hoofdprijs wint in Cannes – dat is vragen om ruzie. Historicus Stephen Howe zoekt de waarheid achter de film.

In de vroegste, zwijgende westerns was het makkelijk om de goeden en de slechten uit elkaar te houden. De schurken droegen zwarte hoeden en schoren zich niet. De helden hadden witte hoeden en beschikten duidelijk wel over scheermessen.

Gouden Palm-winnaar The Wind That Shakes the Barley van Ken Loach biedt net zulke weinig subtiele hints voor wie de politieke inhoud van de film, die speelt in het Ierland van begin twintigste eeuw, een tikkeltje ingewikkeld vindt. In de film, die sinds gisteren in Nederland draait, dragen de schurken uniformen, hebben een Engels of Schots accent, en schreeuwen en vloeken er lustig op los. De goeden dragen burgerkleren en spreken zacht, bijna fluisterend, zonder ruw taalgebruik. Zij hebben een Iers accent.

Maar halverwege de film splitsen de goeden zich en verandert de helft van de voormalige helden in schurken. Er bestaat echter geen gevaar dat de kijker daardoor in verwarring raakt: Ken Loach geeft weer een paar aanwijzingen over wie wie is: de nieuwe slechteriken trekken allemaal uniformen aan en beginnen de hele tijd te schreeuwen (hoewel ze nog steeds niet vloeken). Nog een subtiele hint is dat in beide helften van de film alleen de goede kant ook vrouwen telt.

Dit is dus niet wat je een complexe en politiek of ethisch genuanceerde film zou kunnen noemen. Ook biedt de film geen grote verrassingen voor wie enigszins op de hoogte is van de nationalistische versie van de moderne Ierse geschiedenis of van het eerdere werk van Loach. De verhaallijn, de hoofpersonen en de politieke boodschap van de film hebben allemaal verbluffend veel weg van een eerder historisch epos van zijn hand, Land and Freedom (1995), dat zich afspeelt tijdens de Spaanse burgeroorlog (1936-’39).

In sommige opzichten laat

de film zich door zijn eenvoud en voorspelbaarheid wat al te gemakkelijk beschimpen. Toch was de reactie nog vóór het uitbrengen, met name in Britse conservatieve kranten, er eerder een van woede dan van spot, en werden er (door Loach zelf „verbazingwekkend venijnig” genoemde) persoonlijke aanvallen op hem gelanceerd.

Simon Heffer beschuldigde Loach in The Daily Telegraph van haat tegen Groot-Brittannië en van het maken van „weerzinwekkende” films op kosten van de belastingbetaler. The Sun beweerde dat de film „de bedoeling had de reputatie van ons land door het slijk te halen”. Ruth Dudley Edwards had het in de Daily Mail over „ouderwetse propaganda” en een „mengeling van halve waarheden”. Ze betichtte de regisseur ervan de Britten af te schilderen als „sadisten en de Ieren als romantische, idealistische verzetsstrijders.” Zelfs de linksere Independent zei dat de film zou „overkomen als een recruteringscampagne voor de IRA.”

In die optiek werden niet alleen Loach zelf, maar ook bijna alle anderen die bij de film betrokken waren – plus uiteraard de jury die de film in Cannes de hoofdprijs toekende – gemotiveerd door een onwetende, sentimentele en kritiekloze sympathie voor het Ierse republikanisme, die gaandeweg uitmondt in apologieën voor IRA-moorden uit heden en verleden, en in een even gedachteloze anti-Britse bigotterie. Opgemerkt moet echter worden dat maar enkelen van deze deskundigen de film gezien kunnen hebben voordat zij hem aanvielen.

Loach denkt zelf dat zijn critici worden bewogen door „diepgewortelde imperialistische schuldgevoelens”. Hij zei tegen zijn gasten in Cannes dat „we hopen dat onze film gaat over het confronteren van de Engelsen met hun imperialistische geschiedenis. Als we hun de waarheid vertellen over het verleden, zullen we misschien ook de waarheid over het heden te horen krijgen”. Met dat laatste, zo maakte hij duidelijk, doelde hij op de overeenkomsten tussen het Ierland van de jaren twintig en het Irak van nu.

Vrijwel niemand lijkt

geïnteresseerd in de vraag of de film artistiek overtuigend is – eerlijk gezegd is hij dat niet – maar in zijn politieke implicaties en historische nauwkeurigheid. Hoe zijn zijn prestaties op dat gebied?

Bijna ieder geval van Britse militaire wreedheid dat in de film wordt vertoond, kent parallellen in gebeurtenissen die – zo wordt althans beweerd – tussen 1919 en 1921 in Ierland hebben plaatsgevonden, vooral in het landelijke westen van de provincie Cork. Willekeurige, niet te rechtvaardigen moorden, martelingen, het misbruik van verdachten, het gedwongen scheren van hoofden, racistische beledigingen (en ja, veel godslastering en drieletterwoorden, hetgeen het vrome Ierse plattelandsvolk meer geschokt lijkt te hebben dan wat dan ook): al die dingen zijn zeker voorgevallen.

Veel controversiëler is de vraag of dit alles – behalve het vloeken – schering en inslag was en typisch Brits, zoals de film suggereert. En in hoeverre dit gedrag werd gesanctioneerd door de Britse politieke en militaire leiders. Veel historici betogen dat zulke incidenten zeldzaam, geïsoleerd en ongeoorloofd waren, en afgekeurd en soms zelfs hard bestraft werden door de autoriteiten. De film heeft in die optiek dus niet alles verzonnen, maar misleidt door (willekeurige) selectie en suggestie.

Anderzijds suggereert de film dat de IRA-strijders slechts met uiterste terughoudendheid en om heel goede redenen moordden. In een scène over een hinderlaag worden de Britse strijdkrachten in een eerlijk gevecht gedood, hoewel er sterke aanwijzingen zijn dat de IRA in de historische hinderlaag waarop de scène is gebaseerd hun tegenstanders afmaakten nadat ze zich al hadden overgegeven of toen ze gewond op de grond lagen.

In een andere zwaarbeladen scène executeren de held Damien (Cillian Murphy) en zijn vrienden twee mannen die informatie over hen hadden doorgegeven. Zij doen dat pas nadat ze zich ervan hebben verzekerd dat de twee schuldig zijn, en nadat ze hebben geprobeerd hen te ruilen tegen IRA-mensen die door de Britten dreigen te worden geëxecuteerd. Ze pijnigen zich aldus het hoofd over het nemen van het leven van twee hulpeloze mannen, met name dat van een jongen uit de buurt. Hoe kunnen ze nu „een van onze eigen mensen” doden, zo vragen ze zich af, zelfs als die hen heeft verraden? Zelfs als de IRA een politiebureau aanvalt, gebeurt dat niet om iemand te verwonden, maar om de politie te waarschuwen op te houden met het mishandelen van gevangenen!

Opnieuw zijn er

historische parallellen aan te wijzen voor al deze incidenten, of bestaan er in IRA-memoires en andere verslagen althans verhalen die daar erg op lijken. Eveneens opnieuw kan worden vastgesteld dat de film, door bewuste selectie en omissie, zaken als kenmerkend presenteert die dat allesbehalve waren. De IRA heeft honderden politiemensen vermoord, evenals zogenaamde spionnen en informanten. In bijna al die gevallen ging er geen waarschuwing aan vooraf, en was er geen sprake van een ‘rechtszaak’ of een poging om over hun levens te onderhandelen. Slechts weinig ‘informanten’, zo lijkt het, waren überhaupt ergens schuldig aan. Zwervers, thuislozen, mensen met een veronderstelde seksuele afwijking en (wellicht het meest verontrustend) plaatselijke protestanten vormden een groot deel van de slachtoffers. In plaats van dat het doden van ‘één van de onzen’ zelden of nooit voorkwam en bij de IRA tot een diepgaand zelfonderzoek leidde, bestond een meerderheid van de moordslachtoffers juist uit mede-Ieren, hun eigen buren.

‘Keurige kleine gevechten’ tussen twee georganiseerde groepen gewapende mannen, zoals die bij Kilmichael of in vergelijkbare scènes uit de film, kwamen slechts heel zelden voor. De meeste doden vielen bij onvervalste moordpartijen op hulpeloze, ongewapende mensen, en die worden in de film in het geheel niet getoond. De IRA-campagne van de jaren twintig was minder moordzuchtig ‘zonder onderscheids des persoons’ dan die van de recentere Noord-Ierse Troubles [die eind jaren zestig begonnen], maar het verschil zat ’m eerder in de omvang dan in de inhoud.

Toch is de politieke

vertekening wellicht op z’n sterkst in de tweede helft van de film, als de republikeinse beweging in tweeën splijt over de vraag of zij een compromis met Groot-Brittannië moet sluiten, en afglijdt naar een burgeroorlog. De scheiding der geesten werpt haar schaduw vooruit in een confrontatie in een ondergronds gerechtshof van [de republikeinse partij] Sinn Féin, waar moet worden besloten hetzij een plaatselijke geldschieter te geloven hetzij een arme oude vrouw die hem nog geld is verschuldigd.

De conservatieve, militaristische types onder de republikeinen steunen de zakenman: zij hebben zijn hulp nodig om wapens te kopen voor ‘de goede zaak’. De idealisten en de socialisten (en alle vrouwen) steunen de oude vrouw. Een oudere IRA-man – die we al eerder hebben leren kennen als hij een cel deelt met Damien – houdt het hof op ontroerende wijze voor dat het geen zin heeft om voor de nationale onafhankelijkheid te vechten als dat niet gepaard gaat aan een strijd voor sociale gerechtigheid.

Opnieuw hebben zich inderdaad zulke scènes en discussies voorgedaan binnen de Ierse nationalistische beweging. Er bevonden zich een paar (zij het niet zo veel) socialisten in hun gelederen. Maar Ken Loach doet net alsof het schisma over het compromis, en over de vraag of de deling van Ierland aanvaard moest worden, zich langs dezelfde lijnen afspeelde. Zij die zich tegen het compromis verzetten – de groep waaruit de hedendaagse IRA beweert te zijn voortgekomen – zijn de idealisten, de socialisten. Hun tegenstanders – die zoals reeds opgemerkt prompt oude uniformen van het Britse leger aantrekken en flink beginnen te schreeuwen – zijn sociale reactionairen en verraders.

Op dit punt geeft de film van Ken Loach een volkomen verkeerd beeld van de veel ingewikkelder scheidslijnen die in werkelijkheid bestonden. Hij doet dat op een manier die refereert aan zijn reeds lang beleden politieke inzichten: de ware, pure nationalisten moeten ook wel echte socialisten zijn. Aan de andere kant staan de pro-imperialisten, de compromissensluiters en de verraders, de Tories, de katholieke kerk en uiteraard alle mensen die schreeuwen. Het is een karikatuur van de geschiedenis. In veel landen plachten de vroege socialisten te waarschuwen „het nationalisme niet rood te kleuren!” Maar dat is precies wat Loach hier doet, met mismoedig makende, zo niet verontrustende implicaties voor zijn kijk op het Ierland en Groot-Brittannië van vandaag de dag.

De titel van de film is

ontleend aan een vreselijk sentimentele en bloeddorstige ballade over de Ierse opstand van 1798. De sentimenten van dat liedje weerspiegelen in feite maar al te goed de inzichten van veel van de rebellen uit 1916-’22 en van de tegenstanders van het compromis in de daarop volgende burgeroorlog. In plaats van te beantwoorden aan suggestie van Loach dat zij radicale socialisten en internationalisten waren, kenden velen van hen geen enkele ideologie, afgezien van iets dat was voortgesproten uit een romantische, culturele, separatistische en soms necrofiele tak van het nationalisme. Een dergelijke vorm van het Ierse nationalisme (uiteraard nooit de enig beschikbare) heeft de cinema niet nodig om er kitsch van te maken: dat was er al een onlosmakelijk onderdeel van, hetgeen goed werd weergegeven door deze vreselijke liedjes en de mythe van het bloedoffer dat zij verwoordden. Het is erg jammer dat Ken Loach daarvoor gevallen is.

Toch is dit geen oneerlijke film, en ook geen domme. Hij vertelt geen leugens, ook niet indirect. Maar hij vertekent wel: hij ‘buigt’ en filtert de feiten. Maar hoe kan een verbeeldingsvolle weergave van historische gebeurtenissen daaraan ontsnappen? Er wordt vaak aan getwijfeld of zelfs ‘fatsoenlijke’ academische historici in staat zijn een hoge mate van selectiviteit en vooringenomenheid te vermijden.

En als de politieke boodschap van de film lomp en simplistisch is, dan geldt dat ook voor de meeste andere ‘historische’ of ‘agitprop’-achtige cinematische weergaven van Ierse of andere conflicten. Vergeleken met de gemiddelde Hollywood-film of met andere films die (met enig recht) ‘anti-Engels’ of ‘anti-Brits’ worden genoemd, zoals Mel Gibsons belachelijke Braveheart en The Patriot, is de film van Loach een opvallend intelligente poging. Maar het is ook een merkwaardig onaantrekkelijke, emotioneel vlakke film. Het valt te verwachten dat The Wind That Shakes the Barley op de langere termijn – net als in de polemieken vóór het uitbrengen ervan (en in deze recensie) – vooral een gespreksonderwerp van historici zal blijven en minder door de gemiddelde filmkijker gewaardeerd zal worden.

The Wind that Shakes the Barley. Regie: Ken Loach. Met: Cillian Murphy, Padraic Delaney, Liam Cunningham, Orla Fitzgerald. In 12 bioscopen; www.thewindthatshakesthebarley.co.uk

Stephen Howe is hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Bristol. Hij schreef ‘Ireland and Empire: Colonial Legacies in Irish History and Culture ’(2000), en ‘Empire: A Very Short Introduction’ (2002).

Vertaling: Menno Grootveld