Manager, wordt toch wijzer!

Filosofie is een vorm van ‘selfmanagement’, waarmee ook professionals hun voordeel kunnen doen. Aldus een filosooof die zelf manager is geworden

Eric Bolle: Filosofie en leiderschap. Vubpress. 156 blz. €14,95

Een van de grootste plagen van deze tijd is het alomtegenwoordige management. Als de sprinkhanen in Egypte teisteren de managers het publieke leven met hun verlammende controledrang en hun vaak totale onwetendheid van wat zich op de werkvloer (van treinstel tot collegezaal) afspeelt. Het enige waar deze regelaars goed in lijken te zijn is in het regelen van hun eigen honorering. Heer o Heer, verlos ons van de managers!

Uit de mond van menige filosoof (om mij nu slechts tot deze beroepsgroep te beperken) zou deze bede geen verbazing wekken. En mocht de Heer er in Zijn oneindige goedheid gehoor aan geven, dan zou menige filosoof vast bereid zijn opnieuw het geloof der vaderen te omarmen. Zo niet Eric Bolle, filosoof, kenner van onder andere het werk van Foucault, Nietzsche en Heidegger, en sinds enige jaren zelf manager, zoals hij bekent in zijn meest recente boek, de opmerkelijke bundel lezingen en essays Filosofie en leiderschap. Hij werkt als directielid bij Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving in ’ s Hertogenbosch.

Bolle (1954) draagt het management een warm hart toe, maar wat hij managers en leidinggevenden ( ‘leiders’) aanraadt, klinkt – op z’n zachtst gezegd – weinig orthodox. Hij pleit bijvoorbeeld voor een ‘existentieel management’ onder auspiciën van Heidegger, managers zouden Plato en Nietzsche moeten bestuderen en als we hem mogen geloven kan geen leider (in politiek of bedrijfsleven) er omheen de poëzie van de Franse dichter René Char te lezen – het ‘ethisch testament van de twintigste eeuw’, aldus Bolle.

Enigszins verwarrend blijft in hoeverre managers en leiders aan elkaar gelijk mogen worden gesteld. Aanvankelijk maakt Bolle een scherp onderscheid. Een veel gehoorde klacht is namelijk dat er een ernstig tekort bestaat aan leiderschap (‘nemen van beslissingen’) bij een teveel aan management (‘vormgeven aan processen’), wat het van groot belang maakt om beide categorieën zorgvuldig uit elkaar te houden, maar in latere essays zien we dat Bolle ze toch weer op één hoop gooit.

Het onderscheid is ook nog om een andere reden van belang: leiders moeten over kwaliteiten beschikken (visie, durf, besluitvaardigheid en verantwoordelijkheidsgevoel), waar veel managers juist gebrek aan hebben. Met leiders die hun organisatie goed kennen en niet alleen de belangen van aandeelhouders en geldschieters dienen, valt daarom heel goed te leven, terwijl managers de kennelijk onweerstaanbare neiging vertonen om de wereld te veranderen in een bureaucratische hel.

Iets meer consequent doorgevoerde accuratesse was hier wenselijk geweest! Ook zou het mooi zijn geweest als Bolle het probleem van de bureaucratisering, zo nauw verbonden met het verschijnsel management, openlijk had besproken. Hetzelfde geldt voor een ander heet hangijzer: de graaicultuur, die bij de moderne managers lijkt te horen en waar Bolle slechts één keer naar verwijst als hij terloops het ‘prijskaartje’ ter sprake brengt, dat aan een echte leider zou hangen.

Daar staat tegenover dat alles wat Bolle managers én leiders aanraadt (in essentie: via het lezen van filosofie en poëzie nadenken over hun eigen eindigheid) voor iedereen de moeite waard kan zijn. Iedereen is een manager in het diepst van zijn gedachten, of zoals Bolle het – omgekeerd – stelt: filosofie is een vorm van ‘selfmanagement’ (je moet standpunten innemen, ideeën ontwikkelen, zelfkennis verwerven) waarmee ook professionele managers hun voordeel kunnen doen. Geen wonder dat hij zijn aanbevelingen net zo makkelijk voor architecten (die evenals managers ‘werken aan het ontwerpen en vormgeven van de toekomst’) laat gelden. Waarom ook niet, als iedereen er baat bij kan hebben?

Toch komt wie direct nut van deze bundel verwacht, bedrogen uit. ‘Filosofie heeft geen nut, filosofie heeft waarde’, lezen we al op een van de eerste bladzijden. Bolle beperkt zich bovendien veelal tot het opwerpen van vragen, vermoedelijk Heideggers woord indachtig dat het vragen de ‘vroomheid van het denken’ uitmaakt. Dat stelt wel eens teleur, zoals het ook een beetje tegenvalt dat het in zijn veelbelovende essay over Heideggers ‘existentieel management’ vooral gaat over Safranski’s biografie en maar zeer ten dele over Sein und Zeit, dat voor de drukbezette managers waarschijnlijk te hoog gegrepen was.

Sowieso gaat Bolle zelden verder dan het geven van nuttige samenvattingen van wat andere filosofen (onder wie Cacciari, Agamben, Girard, Rosenzweig, Schmitt, Jabès en Sloterdijk) hebben bedacht. Zijn eigen bijdrage moet daarbij voornamelijk worden gezocht in de combinatie van de verschillende denkers en dichters. Plus in een bijna onwaarschijnlijk en zeer romantisch aandoend vertrouwen in de regeneratieve kracht van poëzie en filosofie. De ‘gemeenschap van de bibliotheek’, noemt Bolle dat in zijn meest hooggestemde essay, maar omdat deze gemeenschap tevens de laatste blijkt te zijn die nog intact is in dit tijdvak van globalisering, kun je je afvragen hoeveel energie er nog van uit zal kunnen gaan.

Die energie is in elk geval wel aanwezig bij Bolle zelf, die een heroïsche poging onderneemt om voor de filosofie een nieuw maatschappelijk belang te ontwerpen. Ooit verdrong de filosofie de theologie van de eerste plaats, tegenwoordig dreigen wetenschap en techniek de filosofie overbodig te maken. De filosofen trachten zich ondermeer te redden, met wisselend succes, via de levenskunst (waar zij met de psychologen moeten concurreren) en via de cultuurkritiek (waaraan blijkbaar een onuitputtelijke behoefte bestaat, hoewel de boodschap altijd dezelfde blijft). In Filosofie en leiderschap boort Eric Bolle gedreven het management aan. Desondanks gaat bij mij de liefde voor de filosofie, naar ik vrees, net niet zo ver dat ik voortaan om harentwille zal bidden voor het behoud van al die vreselijke managers.