Jonge baby’s kunnen al Teigetjes tellen

Het valt jonge baby’s op als een knuffel wordt weggepakt.

Hun hersengolven tonen dat ze ook echt rekenen.

Bij het zien van een foute optelsom reageren baby’s van 6 tot 9 maanden met een patroon van hersengolven dat lijkt op dat van volwassenen die rekenen. Dat hebben de Israëlische psychologe Andrea Berger en haar collega’s van de universiteit van Ben-Gurion aangetoond in een experiment waarin ze tegelijkertijd de aandacht én de hersengolven registreerden van 24 baby’s van gemiddeld ruim zeven maanden oud. De baby’s keken toe hoe knuffels voor hun neus werden weggenomen. Het experiment wordt beschreven in een artikel dat afgelopen maandag is geplaatst op de website van het Amerikaanse tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.

Vanaf de schoot van vader of moeder liet Berger baby’s vier seconden lang kijken naar twee identieke kopieën van Winnie de Pooh’s vriend Teigetje. De knuffels werden vervolgens door een blauw schermpje aan hun oog onttrokken. Daarna zagen de kinderen hoe een van de twee knuffels boven het scherm werd uitgetild en verdween. Ten slotte haalden de onderzoekers het scherm weer weg zodat de kinderen het correcte resultaat (één Teigetje over) of het foute (twee Teigetjes) konden zien.

Berger stelde vast dat de baby’s naar een correct aantal Teigetjes gemiddeld 6,94 seconden bleven kijken voordat ze de aandacht ergens anders op richtten. Werd in de optelsom een fout gemaakt dan keken ze ruim een seconde langer (8,04 seconde).

Gedurende het experiment maakten de onderzoekers een elektro-encefalogram (EEG): ze plaatsten op het hoofd van de baby 128 sensoren die de spanningsverschillen tussen verschillende hersendelen registreren. Zo kon worden vastgesteld dat de 15 kinderen die langer bleven kijken naar een foute optelsom een patroon van hersengolven vertoonden dat ook bij volwassenen steeds terugkomt als ze fouten maken of te zien krijgen.

Het experiment bevestigt dat zeer jonge kinderen gevoel hebben voor rekenfouten. Bovendien heeft Berger met de hersenscans een manier gevonden om tal van eerdere experimenten te verifiëren, waaruit vergaande conclusies over de mentale capaciteiten van jonge kinderen zijn getrokken. Het aantal seconden dat kinderen naar poppen, knuffels of andere objecten bleven kijken is onder andere gebruikt om aan te tonen dat baby’s van tien maanden razendsnel woorden leren en dat peuters van vijftien maanden kunnen vaststellen dat iemand zich vergist. Dat laatste betekent dat de peuters zich al in anderen kunnen verplaatsen: ze hebben een theory of mind.

Er was de afgelopen jaren nogal wat kritiek gekomen op deze vergaande interpretaties van de kijkduur. Sommige wetenschappers betoogden dat de langere aandacht voor een foute rekensom niet betekende dat jonge kinderen een rudimentair rekenvermogen hadden. Zo zou de aandacht in sommige gevallen verklaarbaar zijn doordat er simpelweg iets was veranderd in het blikveld van de kinderen. Dat laatste is nu minder aannemelijk gemaakt omdat bij de baby’s niet alleen de aandacht is gemeten, maar ook hersenactiviteit die past bij het ontdekken van fouten.