In Jamaica zijn homo’s hun leven niet zeker

Jamaica is het meest homofobe land ter wereld. Een conferentie moet verspreiding van het probleem tegengaan. „Op de Bahamas zingen ze nu ook homofobische liedjes.”

Miriam Sluis

Cassandra haalt een hand door haar rossige krullen. In de diepe decolleté van haar witte truitje kleeft talkpoeder aan de stoppels van haar borsthaar. De transseksueel zucht, morgen vliegt ze terug naar haar huis in Guyana, in mannenkleding. „Als ik me als vrouw kleed krijg ik grote problemen hier op het vliegveld”, zegt ze tegen de Jamaicaanse Yvonne. „Dan dwingen ze me in een broek, anders kom ik niet door de Jamaicaanse douane.”

Cassandra en Yvonne nemen deel aan een conferentie over de rechten van lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transseksuelen in het Caraïbisch gebied. De conferentie, met 46 deelnemers uit 15 Caraïbische landen, zou aanvankelijk plaatsvinden in de Jamaicaanse hoofdstad Kingston. Maar de organisatie, Jamaican Forum for Lesbians, All-Sexuals, Gays (J-FLAG) en Caribbean Vulnerable Communities (CVC), verplaatste de bijeenkomst op het laatste moment naar een resort in Ocho Rios. Uit veiligheidsoverwegingen.

Homo’s en lesbo’s zijn hun leven niet zeker in Jamaica. De afgelopen twee jaar werden twee prominente lokale homoactivisten vermoord. Enkele weken geleden werden in Bull Bay, nabij Kingston, twee veronderstelde lesbiennes doodgestoken door de ex-vriend van een van hen. Jamaica is het meest homofobische land ter wereld, blijkt uit het rapport Hated to Death (2004) van mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch. Homohaat is geïnstitutionaliseerd in de voormalige Britse kolonie; tijdens de verkiezingen van 2001 adopteerden de twee grootste politieke partijen homofobische dancehall nummers van bekende Jamaicaanse zangers als campagneliederen. Het land kent de strengste sodomiewetten ter wereld en de politie is er vaak aanstichter van geweld tegen homo’s.

Yvonne werkt voor J-FLAG. Vorig jaar moest ze 37 keer in actie komen om lotgenoten in veiligheid te brengen. „Het ergste”, zegt Yvonne, „was toen ik een groep jongens te hulp moest schieten bij een hamburgertent. Toen ik daar kwam stond er een massa met stenen en stokken voor de deur. De jongens lagen binnen onder de tafels. De politie heeft ons daar uiteindelijk weggehaald. Ze moesten in de lucht schieten om de massa uiteen te drijven.”

Ook in het resort in Ocho Rios worden homo’s verafschuwd. Als de deelnemers aan de conferentie een avondje hebben doorgebracht op de dansvloer van de hoteldisco krijgt de receptie verzoeken van gasten die naast de conferentieleden logeren; of ze geen andere kamer, „ver weg van die homo’s”, kunnen krijgen. Ook het hotelpersoneel laat hun aanwezigheid gelaten over zich heen komen. In de stille uurtjes lezen receptionisten de bijbel achter de balie.

De kerk is een ijzersterke factor binnen de Jamaicaanse samenleving. Het land telt ‘s werelds meeste gebedshuizen per vierkante kilometer, voornamelijk afsplitsingen van de Anglicaanse en Protestantse kerk. Op zondagochtend paraderen Jamaicaanse vrouwen in hun beste jurken en hoeden in de dorpen buiten Ocho Rios. De morele overtuiging straalt van hun gezichten. „Het moeilijkste”, zegt CVC-bestuurslid Robert Carr, tevens docent aan de Universiteit van de West Indies, „is dat je hier geen discussie over overheidsbeleid kan voeren zonder dat je je meteen moet verantwoorden tegenover het Oude Testament.”

Volgens Terrence, conferentiedeelnemer en in het dagelijks leven accountant op de Bahamas, speelt de slavernijgeschiedenis in de regio ook een rol in de gewelddadige discriminatie van de doelgroep. „Als de gemeenschap zo is opgezet dat je alleen nuttig bent als je kinderen produceert en hard op het land werkt, is daar geen plaats voor zachtere mannen.”

Alle deelnemers staan thuis bloot aan discriminatie, maar op Jamaica komt geweld tegen homo’s en lesbo’s het meest voor. Het ultra-homofobe klimaat is in het laatste decennium sterk toegenomen. „Tot in de jaren tachtig had je hier gewoon dragshows (optredens waarbij mannen zich als vrouwen verkleden, red) op middelbare scholen”, zegt Carr. „Maar in de jaren negentig is dat veranderd. Misschien dat Jamaica zich bedreigd voelt onder druk van de globalisering, daarbinnen is meer ruimte voor homo’s.”

De kerk heeft in haar homofobie een opmerkelijke bondgenoot. In de Jamaicaanse dancehall scène roepen artiesten als Buju Banton en Elephant Man in verschillende nummers op tot het vermoorden van homo’s en lesbo’s. In een club in de Jamaicaanse stad Port Antonio worden de denigrerende teksten over de batty man (Jamaicaanse slang voor flikker, red.) uit volle borst meegezongen. „Ik heb niets tegen twee vrouwen samen, dat is nog wel lekker”, zegt clubbezoeker Richard. „Maar mannen die samen seks hebben, nee. Dat komt te dichtbij, dan ga je je ook dingen over jezelf afvragen.”

Terrence ziet dat onder invloed van de populaire dancehall muziek homohaat toeneemt in andere Caraïbische landen. „Jamaica is hot op de eilanden. Op de Bahamas zingt iedereen nu ook die homofobe liedjes”, zegt de boekhouder op het terras van het resort in Ocho Rios. „Ik ben blij dat ik naar de conferentie ben gekomen, want als ik niets doe, dan weet ik dat het over zes jaar op de Bahamas net zo erg is als op Jamaica.”