Ik houd er nooit mee op

Martin Visser ontwierp de beroemde bank BR02 en is een van de grootste kunstverzamelaars van Nederland. Vierhonderd werken uit zijn collectie verkocht en schonk hij aan het Kröller-Müller Museum.

Martin Visser heeft zijn leven lang verzameld. Van Cobra, toen hij de leden van die groep tegenkwam in Amsterdam, tot de minimalisten van de jaren zestig en de grote Duitse neo-expressionisten van de jaren zeventig en tachtig. Verzamelen deed hij met het grote gebaar. Toen hij uitgekeken raakte op de wilde kleuren van Cobra ruilde hij alles in voor het verstilde, witmonochrome werk van Manzoni. Dat rigoureuze afstoten deed hij vaker en het werd hem verweten – ‘ontrouw’ noemde men het. Maar hij zegt dat hij vooral verder wilde, nieuwe dingen wilde zien. Ook had hij het geld en de ruimte nodig, want hij wilde nooit één dingetje van iemand die hij goed vond, maar tien, twaalf, veertien werken van Anselm Kiefer of een andere internationale ster, al wist op dat moment nog vrijwel niemand wie dat was. Want Martin Visser heeft al meer dan vijftig jaar één van de beste smaken van Nederland. Vierhonderd werken die hij kocht zijn nu van het Kröller-Müller Museum, waarvoor hij misschien wel even belangrijk is geworden als de verzamelende oprichtster Hélène zelf.

Martin Visser (1922) is nog actief, maar je merkt dat hij vooral nageniet. En hij was best trots toen hij hoorde dat zijn slaapbank BR02 gekozen was tot het op twee na beste design van Nederland van de afgelopen honderd jaar. „Al zal hij dat niet snel laten merken”, zegt zijn vrouw Joke van de Heyden met een lachje in zijn richting.

Voor de deur van zijn door Gerrit Rietveld ontworpen villa in de bossen van Bergeijk staat een boomstronkbank van Jurgen Bey, net als Soll LeWitts trap van witte baksteen verderop in de tuin, gewoon op zijn plaats te zijn. „Jurgen kwam hier en we hebben in het bos een stam gezocht voor zijn bank. Mooi is ie, hè?” Het glanzende koper van de sierlijke rugleuningen die in de stam zijn geschroefd is prachtig verweerd.

In zijn ronde werkkamer, een ruime toevoeging aan de villa door Aldo van Eyk, zit Visser een bakje yoghurt te eten. Hij draagt een donkerblauw fleece-jasje over een schipperstrui. Vanuit zijn stoel heeft hij een goed uitzicht op de ronde muur. Rechts vier concentrische cirkels van Richard Long, gemaakt van takjes uit de tuin. Dan drie doeken van Daan van Golden. Een schilderij van Soll LeWitt. Sculpturen van Anselm Kiefer, Ettore Sotsass en Carl Andre. En helemaal links een modderschilderij dat Richard Long op de muur smeerde met een meegebracht emmertje kleiwater uit de rivier de Avon.

Martin Visser ziet zichzelf in de eerste plaats als kunstverzamelaar. „Maar ook het meubelen maken is een ernstige zaak voor me. De meubels in de woonkamer zijn van mij. Deze tafel is van mij.” Het is een variant op een model uit de jaren zestig met een onderstel van chromen plaatwerk. De tafel is nog half verpakt. „Hij is niet voor mezelf. Die bank heb ik ook niet. Wil ik niet. Nooit gehad ook. Mijn dochter en mijn zuster, die hebben hem wel.”

Het klinkt alsof

er iets grondig mis is met zijn geroemde bank BR02. „Nee, er is iets mis met mij. Ik heb geen zin om er naar te kijken. Eigenlijk houd ik niet van een slaapbank. Ik weet niet of u dat mag opschrijven hoor”, zegt hij giechelig. Dan wijst hij naar een met kleurige blokjes beschilderde barokke fauteuil. „Die stoel is van Mendini. Die heb ik gekocht op advies van een arts. Ik heb moeite met mijn benen en die man zei ‘je moet goed kunnen zitten en je hebt geen behoorlijke stoel in huis’.”

Aan zijn lange werktafel ontworpen door de Franse architect Jean Nouvel staat ook een eenvoudige houten stoel. „Daar heb ik dit jaar aan gewerkt. Ik vind hem wel klaar.” De stoel van bruin mahonie heeft een opvallende bolling die onder je knieën valt. „Dat geeft steun aan je benen.” De pootjes beginnen stevig maar lopen naar beneden uit in een slanke driehoek. „Mijn vader hield erg van Berlage. We hadden stoelen en meubelen van hem in huis. Bij de constructie waren ze zwaar en onderuit liep het toe. Dat vond ik zo mooi en heb ik onthouden. Houten stoelen heb ik altijd gemaakt, ik heb er meer dan honderd ontworpen. Ik vind het leuk om een er een paar bij me te houden. Maar zo’n bank wil ik hier niet zien. Altijd dat rusten en zo.” Visser spreekt ‘rusten’ uit alsof het een vies woord is. Toch vindt iedereen zijn bank mooi. „Ontzettend, hè. Ze hebben het wel eens uitgerekend: van 1960 af tot nu toe is er elke dag één verkocht.”

Toen NRC Handelsblad bij de prijsvraag voor het Beste Nederlandse Design om suggesties vroeg, noemden de meeste brieven spontaan Martin Vissers elegante en praktische slaapbank BR02 (afkorting voor Bank Rusten 2. Uiteindelijk won de Fokker Friendship de stemming. „Terecht”, zegt Visser. „Ik heb natuurlijk wel kwaliteit, vast wel, vooral op beeldende-kunstgebied. Het meubelontwerpen is altijd werk voor me geweest. Friso Kramer vind ik een veel groter ontwerper. Zijn Revolt-stoel is geweldig. Ik heb een tuinbank van hem. Van beton, heel mooi. Hij zit goed. U moet hem straks even zien. Ik ben bevriend geweest met Friso. Net als met Appel. Maar tsja.”

Visser studeerde MTS bouwkunde. Kort na de oorlog moest hij trouwen. „Er kwam een kind. Er moest geld verdiend worden. Zo ontstond het ontwerpen van die meubelen. Ik deed het samen met een goede timmerman, die ik uitlegde wat ik wilde.” Zijn ouders hadden in Papendrecht, het stadje bij Rotterdam waar Visser geboren is, een groot dorpshuis met een enorme kelder waar hij de meubels opsloeg. „Ik ging met foto’s langs verschillende zaken. De inkoper van de Bijenkorf, meneer Verhoog, vond ze erg leuk. Hij kwam later met de auto heel chic naar Papendrecht en zei: ‘Ik koop alles, de hele kelder’.”

In 1947 ging Visser zelf bij de Bijenkorf werken. „Als je ze kunt maken, kun je zo ook wel verkopen, zei Verhoog die ik later opvolgde als inkoper. Zeven jaar heb ik daar gewerkt.” De interieurafdeling van de Bijenkorf stond destijds bekend om zijn strakke meubels in de stijl van het Goed Wonen-ideaal. Bekende kunstenaars en architecten als Rietveld waren er klant. In 1955 wordt Visser gevraagd als ontwerper bij meubelfabiek ’t Spectrum in Bergeijk, voortgekomen uit stoffenfabriek De Ploeg, nog zo’n voorvechter van Goed Wonen. Hij verhuist met zijn gezin naar Brabant en blijft meer dan twintig jaar in dienst van het bedrijf. Niet fulltime, maar een paar dagen per week zodat er veel tijd over is voor de kunst. Hij tekent talloze tafels, stoelen, banken en kasten, waaronder de BR02. Hij geeft opdrachten aan ontwerpers en kunstenaars als Kho Liang Ie, Benno Premsela en Constant Nieuwenhuis. „Een vreemde trek”, zegt Visser, „door de kunst ben ik erg geïnteresseerd in wat anderen doen. Daan van Golden, kent u die? Eergisteravond hadden we nog een heel lang telefoongesprek. Mijn vrouw is textielontwerpster en heeft ook goed contact met Daan. Hij praat omstandig. Erg boeiend. Heel amusant.”

Gevraagd naar wat

hij nu nog verzamelt noemt hij de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer. „Dat is een heel belangrijk mens. Hij is hier ook geweest. Maar het is allemaal zo anders nu. Het felle enthousiasme is weg. Dat je die mensen naloopt. Ik hield erg van het kunstenaarstype. Cor Noltee, kent u die? Die man vond ik geweldig, ik was goed bevriend met hem. Hij dronk verschrikkelijk. In 1967 is hij in Dordrecht gevonden, in de goot. Hij is letterlijk in de goot overleden. We bespraken zijn kunst en net als ik hield hij erg van de rivier, de Merwede. Met Kiefer heb ik een hecht contact gehad. Maar die is zo beroemd geworden tijdens onze vriendschap. We zijn veel bij hem geweest in Duitsland met vrouw en kinderen en hebben van alles gedaan. Zijn vrouw woont er nog. Zelf woont hij in Frankrijk met een nieuwe vrouw en nieuwe kinderen. Alles nieuw. Ook hij is het kunstenaarstype, mensen die van de ene dag op de andere leven en toch een oeuvre opbouwen. En er mee te koop lopen. Wie ik altijd een heel grote heb gevonden is Richard Long. Geweldig. Baselitz heb ik veel bezocht en daarvan genoten. En vroeger natuurlijk Appel en Corneille. Toen ik bij de Bijenkorf werkte zag ik Constant bijna dagelijks.”

Hij zwijgt even. „Van Constant heb ik spijt. Toen we in Amsterdam woonden had ik een schilderij van hem boven mijn bed. Ik had het nooit gekocht maar het hing daar. Hij kwam vaak bij ons op bezoek en je kon het zien vanuit de woonkamer. Toen we naar Bergeijk verhuisden heb ik het teruggeven. Daar was hij door geschokt. Ik begrijp ook niet waarom ik dat deed. Tsja, verzamelaars. Onze vriendschap heeft daar onder geleden. Vorig jaar heb ik het schilderij terug gezien op de Constant-expositie in Den Haag. Ik wist niet of het er was, maar ik zocht het en zag het hangen. Het was een erg goed werk. Ik heb er nu spijt van dat ik het teruggegeven heb.”

Ook zijn geliefde

Kiefers heeft hij het huis uit gedaan. Maar die hangen nu in het Kröller-Müller, waar hij soms gaat kijken. Wat hij nog wel van Kiefer bij zich heeft is een glazen vitrine met lood en een vliegtuigje. En een boek. Hij pakt het uit een stapel op een stoel naast hem aan tafel. „Ik heb er gisteren nog in zitten kijken.” Hij trekt het uit de originele kartonnen verpakking waarin Kiefer het, volgens het poststempel in 1996, aan hem stuurde. The Secret Life of the Plants bestaat uit grof met de hand gebonden, ruw afgedrukte foto’s van verdorde zonnebloemen. Soms een veld vol, soms een close-up en tegen het einde van het boek bladzijden vol sterrenhemels. Soms zijn stukken van de foto’s door Kiefer weg gekwast met een niet dekkende laag witte verf. Het boek voelt als een magisch kunstwerk.

In 2000 gaf het Kröller-Müller een catalogus uit van de ruim vierhonderd werken die het verwierf uit de Collectie Visser, voornamelijk werk van Martin Visser, maar ook van zijn negen jaar jongere broer Geertjan. „Een hele rare verzamelaar is dat. Ík houd er nooit mee op, hè, ik niet. Maar hij zei een half jaar geleden ineens: ‘Ik doe het niet meer, ik verkoop aIlles’. Daar schrok ik ontzettend van, we hadden een heel goed contact. Ik overlegde veel met hem, hij had een goede mening. Vreemd hoor. Je kunt nu niet meer met hem over kunst praten.”

Waarom heeft Geertjan het afgesloten? „Ontrouw. Hij heeft zijn leven lang verzameld en plotseling zegt hij ‘ik ga het onder dak brengen’. Hij had een hele serie Picabia, die heeft hij aan Boijmans verkocht. Die wilden het graag \hebben. Van Elsworth Kelly had hij prachtige schilderwerken en die heeft hij allemaal aan Kröller-Müller verkocht.”

„Weet je waarom hij het jammer vindt”, zegt zijn vrouw. „Ze kunnen er niet meer over praten. Ze hebben geen gesprek meer.”