Hoe zou het zijn als ik er niet ben?

Pubermeisjes in Enschede stookten elkaar op om zelfmoord te plegen.

Psycholoog René Diekstra kent tal van voorbeelden van zelfmoordafspraken onder jongeren.

Wenen 1910. Californië 1967. Lille 1969. Londen 1977. Assen 1984. René Diekstra, hoogleraar psychologie, weet wel tien voorbeelden van andere keren dat scholieren elkaar aanspoorden om zelfmoord te plegen, na de zelfmoord van een of meer van hen. De GGD Twente zei dat de zelfmoordoproepen via internet van twaalf meisjes in Enschede als een ‘Twents probleem’ worden beschouwd, niet als iets landelijks. Volgens René Diekstra, die veel onderzoek deed naar zelfmoord onder adolescenten en een ‘gids over zelfmoord’ voor jongeren schreef, zijn ‘zelfmoordclusters’ op scholen een ‘bekend verschijnsel’, iets dat zich van tijd tot tijd voordoet en altijd veel beroering veroorzaakt.

In Wenen, zegt hij, waren er op een zeker moment zo veel scholieren die het probeerden, dat artsen en andere hulpverleners er een symposium over organiseerden. „Het eerste symposium over zelfmoord onder adolescenten uit de geschiedenis.” Op de scholen in Lille, Londen en Assen – daar ging het om leerlingen van het Nassau College – werden na de zelfmoorden projecten en programma’s georganiseerd om de leerlingen op andere gedachten te brengen. Maar die hielpen niet, zegt René Diekstra. „Soms werden leerlingen door alle aandacht juist op het idee gebracht.”

Op het Stedelijk Lyceum in Enschede werden klassengesprekken en ouderavonden gehouden nadat de school – in april dit jaar – ontdekt had hoe vriendinnen van het meisje dat zelfmoord had gepleegd, elkaar aan het opstoken waren om het ook te doen. Volgens René Diekstra is het „zinnig en noodzakelijk” om na de zelfmoord van één leerling meteen uit te zoeken welke leerlingen emotioneel het meest betrokken zijn. „Met hen moet je onmiddellijk gaan praten.” Maar klassengesprekken over zelfmoord zijn volgens hem alleen zinvol als onderdeel van een „breder programma”, waarin leerlingen „algemene vaardigheden” krijgen aangeleerd om met emotionele problemen om te gaan.

Gedachten over zelfmoord zijn onder adolescenten normaal, zegt Diekstra. Het komt door de „cognitieve veranderingen” die ze doormaken. „Ze leren in hypotheses denken. Hoe zou het zijn als ik er niet ben. Ze realiseren zich dat ze sterfelijk zijn. En ook dat ze macht hebben over hun eigen sterfelijkheid. Het heeft te maken met controle.” Hij pakt er gegevens bij uit de Rotterdamse Jeugdmonitor, onderdeel van het programma ‘Opgroeien in de stad’. Diekstra adviseert de gemeente Rotterdam in dit programma. „Aan een paar duizend zestienjarige middelbare scholieren werd gevraagd of ze het afgelopen jaar wel eens serieus over zelfmoord hadden gedacht. Bij de jongens antwoordde 16 procent ja. Bij de meisjes 35 procent. Op de vraag of ze wel eens een poging hadden gedaan, antwoordde 4 procent van de jongens en 12 procent van de meisjes met ja.”

Bij adolescenten die zelfmoord plegen, zegt Diekstra, is er altijd een „historie van emotionele of relationele problemen”. „Het gebeurt nooit zomaar.” Maar er hoeft soms maar een klein incident te zijn om ze ertoe aan te zetten om het echt te doen. En dan, zegt hij, kan het gebeuren dat klasgenoten of vrienden en vriendinnen zich zo identificeren dat ze het ook willen doen. Dat is volgens Diekstra dan niet omdat het zo stoer is.

Denkt Diekstra dat adolescenten elkaar door internet en mobiele telefoon meer kunnen opstoken dan vroeger? „Dat kan”, zegt hij. „We leven in een cultuur waarin het luchtruim steeds meer gevuld raakt met opinies en gedachten.”

Het gevaarlijkste is volgens Diekstra als adolescenten zelfmoord gaan romantiseren, als ze gaan denken dat het een „zinvolle levensvervulling” is, of iets „dappers”.