En maar roepen in de woestijn

Met zijn brede visie is Frits Bolkestein een welkome uitzondering in het Nederlandse politieke landschap. En hij is niet vies van een citaat van zichzelf.

Frits Bolkestein: De twee lampen van de staatsman. Beschouwingen over politiek. Bert Bakker, 320 blz. € 18,95.

Wie terloops een boek begint met een citaat van zichzelf, kenmerkt zich niet in de eerste plaats door bescheidenheid. ‘Ik heb ooit opgemerkt dat slechts twee lampen het pad van de staatsman verlichten: de geschiedenis en de rede’, schrijft Frits Bolkestein aan het begin van deze bundel grotendeels al eerder uitgesproken of gepubliceerde opstellen, toespraken en ander mengelwerk. ‘Uit de geschiedenis haalt hij zijn voorbeelden, goed en slecht, en met behulp van de rede maakt hij die voorbeelden productief in het oplossen van de problemen die hij op zijn weg vindt’.

Het openingsessay waaruit dit citaat afkomstig is, is niet het enige waaruit duidelijk wordt dat Bolkestein de neiging vertoont, zichzelf beschouwen als een baken in de geschiedenis. Enig effectbejag is hem daarbij niet vreemd. Zo weidt hij in de toespraak ‘Minderheden en verdraagzaamheid’ geruime tijd uit over een geruchtmakend artikel over ‘integratie van minderheden’, in ‘september 1991 verschenen in het centrumlinkse dagblad de Volkskrant’, alvorens – in een bijzin – duidelijk te maken dat het hier om een artikel van zijn eigen hand gaat.

‘Minderheden en verdraagzaamheid’, uit 2005, is een buitengewoon ambivalente tekst en daarmee ook een van de interessantste in de bundel. Om dat Volkskrant-artikel uit 1991 is Bolkestein namelijk de afgelopen jaren in zijn partij, de VVD, huizenhoog geprezen: hij zou, als een roepende in de woestijn, de feilen van de multiculturele samenleving hebben aangetoond, lang voordat deze problematiek in het post-Fortuyn tijdperk in de Nederlandse politiek in de mode raakte. De toespraak uit 2005 haakt op die waardering ook in – spreker had duidelijk de bedoeling, ook hier zijn eigen plaats in de geschiedenis te markeren.

Wat de operatie evenwel redt van het verwijt van zelfbewieroking, is het onmiskenbare dégout waarmee Bolkestein zijn eigen profetenrol benadert. Om te beginnen laat hij de lezer van nu onkundig over de reacties die zijn artikel in 1991 opriep – de auteur rept eufemistisch van ‘veel beroering’ zonder te vermelden dat hij er door velen van beschuldigd werd een racist pur sang te zijn, een Janmaat in herenvermomming.

Vervolgens maakt Bolkestein korte metten met degenen die ooit hebben gepretendeerd de fakkel van 1991 over te nemen. Zo heet Fortuyn een aan de Franse populist Poujade herinnerende ‘flamboyante homoseksueel’ met ‘een aantal pijlen op zijn boog’, waaronder het pleidooi voor beperking van immigratie, en verder niks. Degenen die, zoals binnen zijn eigen partij Ayaan Hirsi Ali, vinden dat de Nederlandse staat en samenleving op militante wijze aanpassing van immigranten aan het Nederlands cultuureigen moeten eisen, krijgen van Bolkestein te horen dat Nederland een ‘eeuwenoude traditie van godsdienstige accommodatie tussen bevolkingsgroepen’ kent. ‘Men kan dat betreuren maar het is zo.’

Bolkestein is – in termen van eruditie, taalbeheersing en vermogen tot redeneren – een gunstige uitzondering in het Nederlandse politieke landschap. Dat wordt maar al te vaak overschaduwd door anti-intellectualistisch ingestelde, omhoog gevallen ambtenaren die menen dat er, in taalgebruik en intellectuele vlucht, geen zinvolle benadering van de werkelijkheid bestaat die de ambtelijke beleidsnotitie te boven gaat.

De 25 teksten in De twee lampen van de staatsman– eerder gehouden toespraken of gepubliceerde artikelen van na 1999, toen de staatsman Eurocommissaris werd – zijn thematisch gerangschikt in hoofdstukken als ‘Nederland’, ‘Liberale filosofie’, ‘De turbulentie van de twintigste eeuw’, ‘Onderwijs, kunst en de wereld om ons heen’, ‘Verleden, heden en toekomst van Europa’. Bolkestein maakt – ook dat is voor Nederlandse begrippen uitzonderlijk – gebruik van speechwriters, die voorin het boek netjes bedankt worden: Derk-Jan Eppink, Hans Kribbe, Joshua Livestro en Luuk van Middelaar.

Bolkesteins denkwereld komt het duidelijkst naar boven in de teksten die zich vér verwijderen van de praktische politiek. Zo concludeert hij aan het eind van ‘De intellectuele wortels van het fascisme’ dat ‘‘rede en vrijheid elkaar lijken te ondersteunen en dat een aanval op de één een aanval op de ander mogelijk maakt. Beide verdienen het daarom te worden verdedigd tegen antiliberale of antirationalistische argumenten”.

Behalve over de denkwereld van de staatsman, en in het bijzonder over zijn afkeer van politiek heftig geëngageerde intellectuelen, zegt dit citaat ook iets over de grote bedaagdheid van Bolkestein als schrijver, die van de lezer van deze bundel een zeker uithoudingsvermogen vergt. Waar gaat prijzenswaardige intellectuele distantie eigenlijk over in gezapigheid, heb ik me bij lezing menig maal afgevraagd. De staatsman Bolkestein werkt nu aan een groter geschiedwerk over ‘intellectuelen in de politiek’. Of hij zichzelf tot die mensensoort rekent, is de vraag: liever beschrijft hij zichzelf als een uit het zakenleven afkomstige burger, die politiek en cultuur erbij doet, als vanzelfsprekendheden.

Toch komt hij, als een van heel weinigen in de Nederlandse politiek, wel een beetje in de buurt, van dat ‘intellectueel in de politiek’. Het egocentrisme waarvan De twee lampen van de staatsman op sommige plaatsen getuigt, doet vermoeden dat we ook uit dat nieuwe boek weer veel over Bolkestein te weten zullen komen. Te hopen valt, dat hij zichzelf dan toch ook een beetje een proces aandoet.