Door het duister gaan om de waarheid te vinden

Morten Ramsland: Hondenkop. Uit het Deens vertaald door Gerard Cruys. De Arbeiders-pers, 367 blz. €19,95.

Dit is een mooi begin: een man ontvlucht een Duits concentratiekamp en rent dwars door het nachtmerrieachtig winterlandschap van Sachsenhausen om te overleven. Het rattengif dat hij bij zich heeft gestoken, is bestemd voor de Duitse bloedhonden. Hier is het oorlog. In Odense in het Deense Fuen heerst vrede. Daar staat een meisje in een kruidenierswinkel. De jongeman en de jonge vrouw ontmoeten elkaar. En de kiem van een familiegeschiedenis in Scandinavische trant is gezet. De Deense auteur Morten Ramsland (1971) begint zijn omvangrijke roman Hondenkop (2005) met een fascinerende beschrijving van de voor zijn levend rennende grootvader, Askild. De verborgen mededeling is: was de man door de Duitsers gedood, dan hadden zijn zoon Niels en kleinzoon Asger niet bestaan. Een verrassend inzicht is dit niet, maar het besef zet wel de grondtoon van een fantasierijke, bizarre en groteske roman.

Met Hondenkop (Hundehoved) heeft de noordelijke literatuur er een nieuwe verhalenverteller bij. Ramsland leunt met zijn roman sterk aan tegen De halfbroer van Lars Saabye Christensen, van wie onlangs Yesterday over de invloed van de Beatles in Noorwegen verscheen.

Ramslands roman is panoramisch van opzet. De drie-eenheid grootvader, grootmoeder en kleinzoon vormen slechts een aspect van het geheel. Met onstuitbare snelheid treden ooms en tantes, neven, nichten, vriendinnen en nog weer een oma met kleinkind naar voren met bijnamen als Flapoor, Liegbek of Appelkop. In verschillende gedaanten doorkruisen ‘honden’ de roman. Eerst als Duitse ‘moffenhonden’, zoals Ramsland hen noem, vervolgens als angstaanjagende fantoomwezens op grootvaders schilderijen.

Hondenkop werd in Denemarken en andere landen lovend ontvangen. Terecht. Het tempo ligt adembenemend hoog en Ramsland beschikt over een onuitputtelijk reservoir aan fantastische verhalen. Het is aan de andere kant ook een mateloos boek. De wervelwind aan personages met hun veelzeggende en vaak grimmige bijnamen dwingen de lezer tot een stamboomachtige werkzaamheid: wie is nu ook weer wie? Met als gevolg dat je opeens over een schitterende passage heen dreigt te lezen, als de volgende over angst en duisternis. De grootvader leerde zijn kleinzoon niet bang te zijn voor de duisternis. Askild houdt de jongen voor: ‘Het is veel beter zelf door het duister heen te gaan.’

En dit is meteen de kern van de roman: door het duister heengaan en het licht vinden. Dat staat voor Asger gelijk aan het vinden van de waarheid over zijn indringende verleden.

Kester Freriks