De houdgreep van het lange zwijgen

Maeve Brennan: Dublin. Vertaald door Rosalien van Witsen. Hoogland & Van Klaveren, 230 blz. € 19.90.

Het schrijverschap van de Iers-Amerikaanse Maeve Brennan was gedoemd roemloos in de vergetelheid weg te zakken tot de postume publicaties in 1997 van de bundel verhalen The Springs of Affection en de verschijning, twee jaar geleden van een biografie onder de titel Homesick at the New Yorker. Maeve Brennan (niet te verwarren met de gelijknamige minnares van de dichter Philip Larkin) werd geboren in 1917 en verhuisde met haar familie in 1934 naar Washington. Haar vader, een prominent Iers vrijheidsstrijder, werd er de eerste Ierse ambassadeur. Toen het gezin naar Ierland terugkeerde bleef Maeve achter en werd medewerkster van het ook toen al gerenommeerde weekblad The New Yorker. Ze schreef er bijdragen voor ‘The Talk of the Town’ (in de vermomming ‘the Long-Winded Lady’ ) alsmede verhalen en bijdragen over mode. Toen haar ster daalde verviel ze in depressies en excessief drankgebruik. Ze klampte zich op pathetische wijze vast aan het blad dat enkele decennia haar tweede huis was geweest. In 1993 overleed ze eenzaam in een verzorgingstehuis.

De nu in het Nederlands verschenen bundel valt uiteen in twee delen. Het eerste omvat zeven korte schetsen over een Ierse, roomse jeugd. Het zijn verhalen die autobiografisch aandoen en die soms fijnzinnige observaties bevatten. De neiging tot hilariteit of wrok zou in handen van een andere auteur op de loer liggen, maar Brennan heeft het gedempt opgeschreven. Hoogtepunt is het verhaal over haar broertje Robert, die een keer het voorrecht heeft in de ton met giften voor de clarissen van Dublin te mogen plaatsnemen en daarom door de ik-figuur zeer benijd wordt. Hij is pas twee, en het ergste is dat hij nooit ‘in staat (zou) zijn me te vertellen hoe het klooster er van binnen uit zou zien.’

Indrukwekkender is het tweede deel van de bundel. Het bestaat uit zes langere verhalen die elkaar in zekere mate overlappen, maar die lezen als een korte roman. Het gaat hier om het deprimerende, liefdeloze huwelijk van Hubert en Rose Derdon, tot elkaar veroordeeld in een zwijgzame houdgreep van misverstanden en – van de kant van Rose – angst. Zij koestert het tweeledige verdriet in haar leven: de dood van haar vader en het verdwijnen in het priesterschap van John, hun enige kind. Ze droomt ervan hem als huishoudster te kunnen dienen. Maar Hubert veracht ‘het miezerige kereltje’ al evenzeer als hij Rose veracht. Wanneer Hubert na Rose’s dood dan eindelijk in huilen uitbarst is het niet uit verdriet, maar juist ‘omdat hij geen verdriet voelde.’

Brennan benadert dit bijna ondraaglijke samenzijn telkens uit een iets andere hoek. De herhalingen die dan optreden storen niet, integendeel, ze dragen bij aan een beeld van ingeteerde wanhoop en een uitzichtloosheid die in de handen van Brennan iets noodlottigs, onvermijdelijks heeft.