De geest van Geelsie

Kijkend naar Klaas-Jan Huntelaar vraag ik me af wat Ruud Geels ervan zou vinden. Misschien houdt hij zijn hart vast. Of hij is jaloers, dat kan ook. In de jaren zeventig was Geels namens Ajax vier keer achtereen topscorer van Nederland, en als dank kon hij opzouten. Want: geen goede voetballer. Een Ajax-spits moet goed kunnen voetballen, vinden ze bij Ajax, en Geels kon dat toen beter dan Huntelaar nu. Geels was sneller en hij wilde wel eens een mannetje passeren. Dat zien we Huntelaar niet doen. Klaas-Jan scoort alleen maar. Zoals in de bekerfinale tegen PSV, en afgelopen woensdag in Kopenhagen. Twee kansjes, twee goals.

Als dat maar goed gaat, denkt Geels. Huntelaar heeft hetzelfde nadeel als hij destijds: hij komt niet uit de eigen opleiding. In de Ajax-geschiedenis van de afgelopen veertig jaar konden eigenlijk alleen Cruijff, Van Basten en Kluivert op volledige waardering rekenen. Zelf opgeleide topscorers en gezegend met een voortreffelijke techniek. In staat om zelf kansen te scheppen, onafhankelijk. De rest, van Kieft tot Charisteas, was behelpen. ‘Afhankelijke’ centrumspitsen worden gedoogd bij gebrek aan beter, of zelfs dat niet. Denk aan Ray Clarke. Hij kwam (in 1978), werd topscorer, en kon gelijk weer gaan. Te afhankelijk. Er was geen opvolger, maar dat gaf niet. Liever geen spits dan een spits die niet kan voetballen. (Petterson en Ibrahimovic: wel onafhankelijk, maar te weinig goals.)

Na 123 competitiedoelpunten werd Geels afgedankt als een provinciaal. Hij kwam uit Santpoort. Maar vergeleken bij Hummelo ligt Santpoort midden in de Randstad. Hoe zit dat met Klaas-Jan? Hij lijkt zo van een tractor gestapt, een Superboer. Toch lijdt Huntelaar niet. Nog niet, tenminste. Hij lijkt te hebben wat Louis van Gaal mentale kracht noemt: nergens van onder de indruk. Na zijn goals tegen FC Kopenhagen produceerde hij de onsterfelijke oneliner: „Ze brachten de bal perfect bij me.”

Heerlijke zin. Zoveel souvereiniteit bracht ‘Geelsie’ in zijn tijd niet op. Veel te bescheiden, veel te onzeker. Geelsie wilde schouderklopjes en kreeg ze dus niet, Huntelaar staat daarboven en krijgt ze dus wel. Hij kent zijn eigen gebreken beter dan wie ook, lijkt het, en handelt daarnaar. Dat geeft de boer iets koninklijks. Hij wacht tot ze de bal bij hem brengen en als ze hun best doen, krijgen ze een doelpunt. Dat koninklijke zal hij nog nodig hebben. Als nog iets van de oude Ajax-cultuur resteert, zal het gezeur over zijn lage sprintsnelheid en afhankelijkheid al die goals over een tijdje gaan overstemmen. Zeker wanneer de rest van het team beter gaat spelen dan nu, waar weinig voor nodig is.

Mocht het zover komen, dan mompelt iemand in Santpoort heel zachtjes: ik dacht het wel.