‘De essentie zit in de details’

Wie wil schrijven, bereide zich voor. Deze zomer vertellen zes schrijvers over het onderwerp van hun nieuwe boek. Vandaag Stephan Enter over research doen, nadat de eerste versie klaar is.

Stephan Enter maakt aan het begin van het gesprek meteen duidelijk dat hij „nog nooit” op zoek is geweest naar een onderwerp. „De onderwerpen dienen zich vanzelf bij me aan. Aan sommige ideeën voor verhalen en romans begint zich materiaal vast te hechten. Op een zeker moment heb ik zoveel gedachten over zo’n onderwerp dat ik denk: het is waarschijnlijk wel levensvatbaar. Ik ben nu volop met een boek bezig, maar ik weet al waar mijn twee daaropvolgende boeken over zullen gaan.”

Stephan Enter (1968) publiceerde de verhalenbundel Winterhanden (2000) en de roman Lichtjaren (2004). Beide boeken werden voor de Libris Literatuurprijs genomineerd. Momenteel werkt hij aan een ‘roman in verhalen’, getiteld Spel. Bestiarium van een jeugd. Enter wil het boek aan het eind van het jaar af hebben. „Het worden twaalf hoofdstukken die ook als afzonderlijk verhaal zijn te lezen”, vertelt hij. „Ieder verhaal draait om een bepaald spel. Eén hoofdstuk, dat binnenkort in Tirade wordt gepubliceerd, gaat over een jongen die in de brugklas zit. Weet je nog dat je eerst speelt met de jongens uit de buurt, en dat je vervolgens met jongens van school gaat optrekken? Ik herinner me dat als iets dat pijnlijk verloopt. De vriendjes uit de buurt, dat groepje sterft af, je krijgt een nieuwe vriendenkring.

„Dat is de kiem van het verhaal, daar loop ik lang mee rond. Op een zeker moment komt er een idee bij, in dit geval een spel dat ik vroeger vaak heb gedaan. We gingen naar de beek die langs ons dorp liep om een wedstrijd te doen. Alle jongens kozen een stokje uit van gelijke lengte, die werden tegelijkertijd in de beek gegooid en dan keken we wiens stokje het eerst vier kilometer verder onder het viaduct doorging. Dat spel laat ik in dat hoofdstuk spelen door de hoofdpersoon, door een jongetje uit de buurt en een vriendje van school. Je kunt dus eigenlijk zeggen dat ik niet zozeer over een onderwerp schrijf, maar over personages, hun obsessies en hun emoties en hoe ze op elkaar inwerken binnen een plot.’’

Heeft u research gedaan voor dit verhaal?

„Ja, maar pas nádat ik het had geschreven. Ik ben naar de Kromme Rijn gegaan en heb dat spelletje gedaan, om te kijken hoe het ook alweer werkte. Achteraf research doen heeft een groot voordeel, want als ik dan langs zo’n beek loop, dan sta ik op scherp, ik zie heel snel wat ik nog extra kan gebruiken en waar ik juist moet corrigeren. Als ik die research van tevoren had gedaan, dan was ik misschien overspoeld door gewaarwordingen en details die er voor het verhaal niet toe doen.’’

Enter vertelt dat je als schrijver continu aan research doet. „Ik zag gisteren een man op straat lopen die twee ongelijke oren had. Eén oor dat heel plat zat, en het andere stond bijna dwars op zijn hoofd. Zoiets sla je op in je geheugen, misschien kun je het ooit bij een personage gebruiken.”

De Veluwe is het decor van het boek waar hij nu aan werkt. „Omdat één van de scènes in het bos speelt, heb ik de laatste keer beter opgelet toen ik daar liep. Ik zag bijvoorbeeld dat de bosbodem bedekt was met een patroon van witte lichtvlekjes, en dat onder verschillende bomen een verschillend soort licht hangt. Zulke details kun je gebruiken om een verhaal authentiek te maken.’’

U hecht groot belang aan het detailleren van een verhaal?

„Voor mij zijn details de essentie. Ik deel de mening van Nabokov, dat je een goede schrijver herkent aan hoe hij met het detail omgaat. De essentie zit niet in je ideeën, maar in de details waarmee je je personages en je verhaal leven inblaast.”

Voor Enter dient het onderzoek dat hij verricht dus vooral om het verhaal authentiek te maken. Soms moet hij controleren of de dingen die hij bedacht heeft wel kloppen. „Voor het laatste hoofdstuk van het boek moest ik weten of er in 1980 al elektrische handendrogers bestonden. Op internet kon ik daar niet achter komen, ik vond alleen maar fabrieken die die dingen produceren. Tenslotte heb ik zo’n fabriek opgebeld en toen kreeg ik de directeur aan de telefoon, die mij drie kwartier aan de lijn hield. Hij vond het fantastisch om te vertellen dat elektrische handendrogers al kort na de oorlog in Amerika gebruikt werden en niet veel later ook in Europa.”

Enter noemt het geheugen „veruit het beste archief” voor een schrijver die research doet. „Wat lang in je geheugen zit is persoonlijk, het heeft echt iets met jou te maken, zodat je er met grote betrokkenheid over kunt schrijven. En het voordeel van dat geheugenarchief is dat er allerlei zintuiglijke gewaarwordingen in zitten. Als je een verhaal over grootouders schrijft, dan weet je vaak nog hoe het daar rook in huis en hoe de stoelen kraakten. Juist die details kunnen een verhaal tot leven brengen.”

U put dus uit uw geheugen, maar schrijft u ook autobiografisch?

„Absoluut niet. Ik verzin mijn verhalen, met gebruik van autobiografisch materiaal, dat wel. En de obsessies van de personages zijn vaak de mijne, of het zijn obsessies die me intrigeren.’’

Waarom zou u research doen voor een verhaal dat u grotendeels verzint?

„Het gaat om de coherentie en de authenticiteit van het verhaal. Als ik eenmaal besloten heb dat ik ga schrijven over een dorp dat lijkt op het dorp waar ik ben opgegroeid, dan wil ik dat dorp zo volledig mogelijk gestalte geven. Er staat bijvoorbeeld in één van de verhalen ‘Stimorol Chewinggum, de smaak is raak’. Dat herinner ik me als een slogan uit het einde van de jaren zeventig, het begin van de jaren tachtig. Als je je verhaal in die periode situeert, dan moeten zulke dingen kloppen.’’

U smokkelt niet?

„Nee, dat zou me gaan irriteren. Als ik zoiets bij een andere schrijver ontdek, dan stoort het me ook, dat blijft hangen.’’

Stel dat die elektrische handendroger een paar jaar te laat was geïntroduceerd?

„Dan had hij eruit gemoeten. De hoofdpersoon reist iedere zomer met zijn grootmoeder met de trein naar Zwitserland. Ik beschrijf het interieur van de trein en van de Zwitserse hotels met zoveel details die verbonden zijn met een bepaalde tijd, dan kun je niet opeens een handendroger neerhangen die pas jaren later beschikbaar is.

,,Het kan allemaal gefantaseerd zijn, maar wat ik schrijf moet wel mogelijk zijn, of liever gezegd, moet mogelijk zijn geweest rond 1980. Het is een kwestie van waarschijnlijkheid, niet van waarheid.”

Eerder verschenen in deze serie: Rasha Peper over de 18de-eeuwse anatomische collectie van Frederik Ruysch (Boeken, 14.07.06); Clark Accord over Amsterdamse bingohallen (21.07.06); Willem Melchior en het New York van de jaren tachtig (28.07.06) Kader Abdolah over de koran (04.08.06).