De eeuw die klonk als een fluit

Willem Otterspeer: Orde en trouw. Over Johan Huizinga. De Bezige Bij, 253 blz. € 19,90.

In 2003 gaf Willem Otterspeer als gastdocent aan de Harvard University in de Verenigde Staten colleges over Nederlands beroemdste historicus, Johan Huizinga (1872-1945). Tussen de bedrijven van zijn werk over de geschiedenis van de Leidse universiteit en de biografie van Willem Frederik Hermans door heeft hij die colleges omgewerkt tot dit boek. Een biografie is dat niet geworden en wil het ook niet zijn. Evenmin is het een studie van het werk of de plaats van Huizinga in de geschiedschrijving. Otterspeer heeft vooral oog voor de continuïteit van het werk en de stijl van Huizinga en voor de manier waarop diens karakter en voorkeuren in dat werk doorklinken. Hij probeert zo als het ware met een studie van de buitenkant door te dringen tot de essentie van het werk en de persoon van Huizinga. Het boek had daarom beter ‘Huizinga lezen’ kunnen heten.

Na een korte levensbeschrijving van Huizinga, wiens Herfsttij der Middeleeuwen (1919) nog steeds in druk is, neemt Otterspeer de lezer bij de hand en toont hem in hoofdstukken met titels als ‘lezen en schrijven’, ‘contrast en harmonie’ en ‘hartstocht en synesthesie’ de kenmerken van diens werk en stijl. Hij laat zien welke eenheid er in het werk bleef vanaf Huizinga’s allereerste ontwerp voor een proefschrift, hoe de studie van de jonge Huizinga en diens voorliefde voor sprookjes in het latere werk zichtbaar bleven, evenals diens bewondering voor de middeleeuwse ridderlijke ethiek. Hij illustreert hoe schatplichtig Huizinga was aan de Tachtigers door het veelvuldig gebruik van adjectieven, die hij dikwijls ook nog aan elkaar verbond ter nadere precisering. Soms contrasteerde hij ze met andere combinaties: ‘sceptisch-koel’ tegenover ‘cynisch-wreed’ bijvoorbeeld. Contrast speelde ook in andere zin een grote rol in Huizinga’s werk. Hij contrasteerde om te dramatiseren, om het eigene van iets te verhelderen, om iets ergens tussen uitersten een plaats te geven of om in de opheffing van het contrast de harmonie te vinden.

Huizinga werkte met al zijn zintuigen. Wat hij beschreef, wilde hij een kleur, een geur en een geluid geven, zelfs eeuwen en tijdperken. De kleur van de late Middeleeuwen was somberder dan die van de 12de eeuw, die van de Renaissance purper en goud. De 16de eeuw had nu eens de klank van een trompet, dan van violen, de 17de van een orgel en de 18de van violen en fluit. Aan de 19de eeuw waagde Huizinga zich niet. Zijn subjectieve typeringen zouden voor deze periode vermoedelijk op veel kritiek zijn gestuit. Met het blootleggen van dit subjectivisme doet Otterspeer misschien onbedoeld af aan Huizinga’s kwaliteit als historicus. Met hij onderstreept daarentegen zijn kwaliteit als schrijver.