De basbijdraaier

Al zijn ze onzichtbaar, ze zijn onmisbaar voor de kunst. Deze zomer staan de stille krachten van de kunstwereld in de schrijnwerpers. Deel 5: de geluidstechnicus en tourmanager.

De vloer plakt, deze middag in Paradiso, en de lucht is zuur van verschraald bier. Voordat vanavond drommen bezoekers komen drinken en dansen, bouwt Paradiso-personeel de poptempel weer op. De bar wordt schoongemaakt, voorraden aangevuld, een vrachtwagen voert kisten vol apparatuur aan. Jan Visser (29) sjouwt een zware kist naar binnen. Eigenlijk hoeft de geluidstechnicus en tourmanager dat niet meer te doen: zijn tijd als roadie zit er al zo’n zes jaar op, anderen doen nu het zware werk. „Maar ik help eigenlijk altijd mee”, zegt Visser, „ik vind het vreselijk om met mijn armen over elkaar anderen instructies te geven.”

Vanavond is hij geluidstechnicus in de kleine zaal van het Amsterdamse poppodium. Er spelen drie Duitse bandjes en Visser zorgt ervoor dat ze zo goed mogelijk klinken. Zijn de gitaren niet te schel, de bas niet te zwaar, wordt de zang niet overstemd door de drum? Alle instrumenten en microfoons moeten voor het optreden op elkaar zijn afgestemd. Daarvoor staan Visser een gigantisch mengpaneel en een geluidskast met lange reeksen schuifknoppen ter beschikking. Staat er iets verkeerd, dan klinkt de band niet lekker. „Daarom is mijn werk in feite net zo belangrijk als dat van de bandleden. Ik ben de dirigent, ik kan hun show maken of breken.”

Voor aanvang van het optreden probeert Visser alles vast goed af te stellen. Elke technicus doet dat met behulp van een eigen plaatje, een nummer dat hij goed kent en waarvan hij weet hoe het zou moeten klinken. Vissers favoriet is UB40’s Red Red Wine. „Die plaat is gewoon perfect gemixt. Alleen daar hebben ze al een half jaar over gedaan.” Al gauw schalt ook vandaag de lome vierkwartsmaat uit de speakers. Visser draait de bas iets bij, maakt het geluid voller, warmer. Maar zijn werk eindigt niet bij de voorbereiding. Als de band tijdens het optreden straks het volume opschroeft, moet hij de knoppen weer bijdraaien. „En als ze slecht spelen, probeer ik dat zo goed mogelijk te verhullen.”

Geluidstechnicus is een vak dat je leert in de praktijk, meestal door te beginnen als roadie. Vanaf zijn zeventiende, toen hij begon te drummen in het lokale Zeeuwse bandje Skiff, was Visser gefascineerd door wat zich achter de schermen van de muziekwereld afspeelt. Hij verruilde zijn baan als steigerbouwer in Zierikzee voor een stage bij Paradiso. „Ik kwam binnen en zei: ‘Ik kom stage lopen.’ En zij zeiden: ‘Okee, begin maar met díe kist dáárheen te sjouwen.’ ”

Toen hij een keer mee was als roadie bij een openluchtfestival van Paradiso, vroeg de technicus daar hem even op het geluid te letten. Er kwam een man naar hem toe, die aannam dat híj de dienstdoende technicus was. Het geluid beviel hem, en hij vroeg of Visser, naast zijn – vermeende – ervaring als geluidstechnicus, ook ervaring had als tourmanager. „Tuurlijk”, beweerde die onbewogen, en voor hij het wist was hij mee op tournee met de Amerikaanse band Jaya the Cat.

A l’improviste ging het tourmanagen: het regelen van hotels, de logistiek, het oplossen van problemen, hem goed af. „Als er dingen geregeld moeten worden, word ik wakker.” Ook had hij al wel eens een cursus geluidstechniek gevolgd. Maar live een band gemixt, dat had hij nog nooit gedaan. En dat werd onderweg wél van hem verwacht. Dus riep hij overal de hulp maar in van lokale technici. „Die vonden het zo grappig dat ze me wel wilden helpen.” Na drie weken goed opletten was hij volleerd. De bandleden waren uiterst tevreden over zijn prestatie, en ook nu toert hij nog altijd met Jaya the Cat. „Ik heb ze het verhaal van mijn debuut pas veel later verteld; ze hebben nooit iets doorgehad.”

Inmiddels is Visser een veelgevraagd geluidstechnicus én tourmanager. Hij toerde onder meer met Devendra Banhart, Chuck Prophet, The Posies, Vetiver en Reigning Sound. Tijdens een tournee, die meestal een paar maanden duurt, leggen band en crew per dag 300 tot 600 kilometer af en werkt Visser dagelijks ongeveer achttien uur. Hij zorgt dat de bandleden ’s ochtends hun bed uit komen, en dat ze op tijd op het podium staan. Hij zoekt ze als ze niet op komen dagen, staat ’s nachts de woedende hotelmanagers te woord, weert al te opdringerige fans uit de tourbus en regelt de zaken met de altijd alerte douane. Voor de bandleden is hij tijdens zo’n tour vader, oppasser, psycholoog. „Voor ik deze baan had, heb ik een tijdje sociaal pedagogisch werk gedaan, dat komt tijdens zo’n tournee opeens weer heel erg goed van pas.”