Altijd en overal de baas

De beroemde acteur Laurence Olivier is vaak afgeschilderd als een zelfzuchtig monster. In een nieuwe, onderhoudende biografie krijgt hij sympathieke trekken.

Terry Coleman: Olivier.The Authorised Biography. Bloomsbury, 607 blz. €35,–

De tijd is voorbij waarin er van het werk van zelfs gevierde toneelspelers niets overbleef. Bijna allemaal treden ze nu in films op die bewaard blijven en af en toe op de tv komen. Maar in welke mate gebeurt dat nog met de legendarische acteerprestaties van Laurence Olivier? In Engeland vaker dan hier, in ieder geval. De Shakespeare-films, waarbij hij zowel regisseur als hoofdrolspeler was, zijn er nog steeds: Henry V (1944), Hamlet (1948), Richard III (1955) en dan nog Othello (1965) (een toneelopvoering geregisseerd als film). Wie daar nooit iets van gezien heeft, zal Olivier wel voor de geest kunnen halen op zijn oude dag, in 1981, als Lord Marchmain in de tv-bewerking van Evelyn Waughs Brideshead Revisited.

En nu is er ook eindelijk een volwaardige biografie beschikbaar, nadat een aantal andere die bij zijn leven verschenen hem vooral mopperig maakten. Om te vertellen hoe anders hij was schreef hij zelf op zijn 75ste nog Confessions of an Actor, dat wel inzicht geeft in zijn persoonlijkheid, maar slordig omgaat met historische feiten. Oud-Guardian-journalist Terry Coleman houdt in de nieuwe, ongedwongen biografie Olivier wel greep op de feiten, ondanks de massale hoeveelheid materiaal waarover hij beschikt.

Olivier nam nooit rust. Alleen de eerste vijftien jaar na zijn geboorte in 1907 waren een rustige tijd, hoewel niet vredig: zijn moeder stierf toen hij tien was, en hij kon het nooit vinden met zijn vader. Kostschool werd een uitkomst. Hij onderscheidde zich daar in het koor en op het toneel: met zijn heldere jonge stem speelde hij in 1923 de rol van Katherina in The Taming of the Shrew. Twee Londense recensenten ontdekten zijn talent meteen.

In 1925 trad hij voor het eerst op bij het beroepstoneel . Hij was al gauw bekend genoeg om telkens rollen aangeboden te krijgen. In 1930 vond hij dat het tijd werd om Hollywood te leren kennen. Daar bracht hij twee voorspoedige jaren door en nauwelijks terug in Engeland ging hij er opnieuw heen omdat de kans bestond dat hij met Greta Garbo mocht werken, als de minnaar van Koningin Christina van Zweden. Het was een pijnlijke klap toen Garbo in hem niet zag wat zij zocht en de onvergetelijke woorden sprak ‘Oh vell, life’s a pain anyway.’ Het was een klap die Olivier vijftig jaar later nog voelde, toen hij zijn Confessions schreef.

Terug in Londen had hij werk genoeg aan Shakespeare-rollen, en in 1938 reisde hij alweer naar Hollywood voor de verfilming van Wuthering Heights met Merle Oberon. Daar kwam zijn nieuwe liefde hem gezelschap houden: Vivien Leigh, een andere beroemde naam uit de toneelgeschiedenis. Hij kende haar sinds 1936. In dat jaar was hij voor haar gescheiden van zijn vrouw, net als zij van haar man. Eenmaal in Amerika kreeg Leigh in 1939 de rol van Scarlett O’Hara in Gone with the Wind. Ze ontving onbedaarlijk vurige brieven van Olivier, waar Coleman sterke voorbeelden van citeert.

Eind 1940 keerden zij terug naar Londen. Olivier ging in dienst bij de Fleet Air Arm (zonder schieten; trainingsvluchten) tot hij eind 1942 een opdracht kreeg voor een propagandafilm. Een jaar later maakte hij in Ierland zijn film van Henry V , die krijgshaftig in de oorlog paste. Daarmee begon de grote periode van zijn carrière, met vele aanbiedingen.

Hij kreeg de reputatie van grootste, of ten minste meest opzienbarende acteur van Engeland. Als het predicaat ‘grootste’ toegekend moest worden, zou hij het toen al, en achteraf onverbiddelijker, moeten delen met John Gielgud. Shakespeareanen hebben Gielgud gewoonlijk hoger geschat, omdat hij minder ophef maakte en omdat hij de taal met meer aandacht en misschien meer begrip tot uitdrukking liet komen, op een nauwkeurige ingetogen toon. Olivier was luider, daverend soms, en ook atletisch bij gelegenheid –hij heeft verscheidene malen botbreuken opgelopen bij gewaagde sprongen. Al kon hij zich ook heel goed beheersen in Tsjechov en Strindberg, zijn fysieke aanwezigheid was altijd dominant op het toneel.

De beste tijd duurde tot 1967 toen hij geopereerd werd aan prostaatkanker. Daarna sloegen er om de paar jaar andere ziekten toe, in verschillende graden van hevigheid; tot zijn dood in 1989 toe afgewisseld met opvoeringen en opnamen, en nu ook vergaderingen. In 1961 was er geld beschikbaar gekomen om een begin te maken aan de oprichting van een National Theatre. Olivier was daarbij nauw betrokken en werd in 1963 directeur, toen het nieuwe gezelschap met opvoeringen begon in zijn voorlopige tehuis, de Old Vic in Zuid-Londen.

Tot het gebouw bij Waterloo Bridge in 1976 in gebruik kon worden genomen, speelde hij in allerlei toneelstukken, van Oom Wanja tot O’Neills Long Day’s Journey into Night en er geen jaar voorbij zonder filmrollen. In het nieuwe National Theatre heeft hij nooit gespeeld, hij hield er alleen de openingsrede.

Intussen was hij in 1960 gescheiden van Vivien Leigh en het volgende jaar getrouwd met de actrice Joan Plowright. Zij was niet zo mooi als Leigh, maar wel veel verstandiger. Het eerste huwelijk was op den duur explosief geworden. Huiselijk was het echtpaar nooit geweest. Als zij wel een poosje samen waren, wilde Vivien gewoonlijk denderende feesten geven die tot in de ochtend moesten duren. Haar manische en depressieve buien maakten hun leven van tijd tot tijd onverdraaglijk. Omdat zij nog mooier was dan Olivier en een kwetsbaarder indruk maakte dan hij, kreeg zij in de publiciteit wel eens een aureool van slachtoffer: dat was zij grotendeels van zichzelf.

Niet dat Olivier het toonbeeld van een zorgzame, lieve kerel was. Maar wie Coleman leest zal geen ongunstig beeld van zijn persoonlijkheid krijgen. Dat wil zeggen: dat beeld is minder negatief dan hij in de publiciteit vaak is voorgesteld; als een man die alleen uitging van zijn eigen belang en die in het theater zijn medespelers zo klein mogelijk hield.

Zo komt hij in het boek van Coleman niet over. Je raakt in deze biografie onder de indruk van zijn initiatieven en zijn doorzettingsvermogen, en je kunt begrip opbrengen voor zijn vermeende fouten en gebreken, die vooral verband hielden met zijn obsessieve werklust.

In de laatste fase van zijn leven werd hij iedere paar jaar wel door een ziekte getroffen. Na de prostaat was het in 1972 een longontsteking waar een trombose uit overbleef die hem een jaar lang het acteren belette. In 1974 lag hij vier maanden in het ziekenhuis met een zeldzame en levensgevaarlijke ontsteking van huid en spierweefsel. Kwalen en ziektes bleven hem achtervolgen en fit was hij nooit meer. Op het toneel staan was er niet meer bij, hij speelde alleen nog in films en op televisie – tot in zijn laatste jaar.

Er valt uit Colemans biografie niet op te maken dat Olivier treurig en moedeloos werd van die lichamelijke tegenslagen. Misschien was dat een van de voordelen van zijn intuïtieve, niet nadenkende aanleg. Er zijn ook geen tekenen dat hij ooit iets las dat niet op zijn werk betrekking had, of dat hij zijn ervaringen tot ideeën verwerkte. Wat Olivier voor zijn vak nodig had aan informatie wist hij vanzelf, door zijn intuïtieve begrip voor hoe mensen met bepaalde ervaringen omgaan en hoe zij zich uiten.

Deze nieuwe biografie van 500 pagina’s had hij waarschijnlijk niet gelezen maar vluchtig doorgekeken, omdat die over hemzelf gaat. Olivier was geen denker, maar een variant van een natuurmens, en verkwikkend gezelschap voor peinzende lezers die zich over hem verwonderen.