Zege in Connecticut

Achttien jaar in de Amerikaanse Senaat zitten, kandidaat zijn voor het hoogste ambt,aanzien en invloed in Washington hebben – en dan bij een voor- verkiezing in de thuisstaat smadelijk verliezen van eenonbekende zakenman, die de kiezers achter zich wist te krijgen, omdat hij tegen de oorlog in Irak is. Dat is gisteren senator Joe Lieberman overkomen, jarenlang een van de prominentste Democraten in het Amerikaanse Congres.

Zijn nederlaag veroorzaakt een schokgolf in de Amerikaanse politiek, omdat het electoraat in een overigens vanouds Democratische staat – Connecticut – zich voor het eerst duidelijk uitspreekt over datgene wat velen echt bezighoudt: Irak. Met deze voorverkiezing is de temperatuur van het land opgenomen. Wat blijkt: de oorlog is een verkiezingsthema van de eerste orde, en als Democraat loont het als je ertegen bent. Daarmee heeft de winnaar in Connecticut, de 52-jarige zakenman-miljonair Ned Lamont, de trend gezet. De Democraten ontkomen er niet aan zich duidelijker dan voorheen te profileren over de oorlog in Irak.

Joe Lieberman, lieveling van het Democratische partij-establishment, was een uitgesproken voorstander van de invasie. Hij gold als hardliner in zijn partij op hetgebied van nationale veiligheid. De Republikeinse presidentGeorge W. Bush is verzot op Lieberman, die in een toespraak gisteravond zijn nederlaag toegaf en zei dat hij niet alleen teleurgesteld was omdat hij had verloren, maar ook „omdat de oude politiek van polarisatie tussen de partijen vandaag heeft gewonnen”.

Polarisatie tussen Democraten en Republikeinen is een oud zeer. Maar ook Lieberman heeft de toenemende verharding van de standpunten niet kunnen keren. En juist een thema als Irak leent zich niet voor eindeloos genuanceer. Lieberman kan dan een verstandig politicus met grote verdiensten zijn, hij heeft de stemming onder zijn kiezers niet goed aangevoeld. Natuurlijk is het kleine Connecticut niet maatgevend voor Amerika. Maar het is goed dat het electoraat zich van de Democratische partijtop niets heeft aangetrokken en Irak als principieel thema heeft herkend. Ned Lamont heeft gewonnen omdat hij de moed had – en het geld voor een slimme internetcampagne – om ‘neen’ tegen de oorlog te zeggen en zich daarmee van Bush en de Republikeinsepolitiek te onderscheiden. Dat is een belangrijke les, voor Democraten én Republikeinen.

De Irak-politiek van Bush dreigt na de successen van de invasie, de val van Saddams bewind en de arrestatie van de dictator op een catastrofe voor het land en de regio uit te lopen. Lamont zegt het ronduit, en hij heeft gelijk: 132.000 Amerikaanse militairen zitten er midden in een bloedige burgeroorlog. Zelfs de legertop begint nu die gewraakte term te gebruiken. De regering heeft geen passend antwoord. Politieke nieuwkomer Ned Lamont eigenlijk ook niet. Zijn boodschap luidt dat de Amerikaanse politiek zich moet wijden aan verwaarloosde binnenlandse onderwerpen. En dat de manschappen in Irak per ommegaande naar huis moeten. Was het maar zo eenvoudig.