Red de Arabische natiestaat

Als de fundamentalistische groeperingen in het Midden-Oosten steeds meer de overhand krijgen, zal het politieke leven worden overheerst door stamgevoelens en godsdienstige hartstochten, betoogt

Mamoun Fandy.

Er is terechte bezorgdheid in de Arabische wereld dat de huidige discussie over een ontwerpresolutie van de VN-Veiligheidsraad Libanon wel eens in een burgeroorlog zou kunnen storten. Door de structurele zwakte van Libanon zouden de wapens van Hezbollah op de rivalen in eigen land in plaats van op Israël kunnen worden gericht. Dit is al verontrustend genoeg, maar er is nog een veel groter gevaar: dat ook elders in het Midden-Oosten dergelijke confrontaties zich zouden kunnen voordoen.

De kern van het probleem in Libanon is dat een politieke beweging groter dan de staat is geworden – en niet veraf is van een machtsovername à la de Talibaan in Afghanistan voor 2001. Hetzelfde syndroom – een waarneembaar gebrek aan legitimiteit van regeringen die op de proef worden gesteld door bewapende politieke bewegingen – is in tal van Arabische en islamitische landen te zien. De uitdaging is op het ogenblik dan ook niet alleen om een wapenstilstand en een duurzame oplossing in Libanon te bereiken, maar ook om een breder kader voor vrede in het Midden-Oosten te scheppen en daarmee te voorkomen dat het ‘Libanese syndroom’ zich over het hele gebied verspreidt. Anders komen er nog veel meer Libanons.

Overal in de moslimwereld woedt een burgeroorlog tussen islamitische groepen zoals Hezbollah en de moderne staat; tussen fundamentalisten en gematigden. De strategie van die bewegingen om de heersende elites te ondermijnen is het aangaan van een confrontatie met de buitenwereld, in het bijzonder met Amerika en Israël. Hun boodschap is dat deze bewegingen kunnen doen wat staten hebben verzuimd en de eer kunnen herstellen die regeringen hebben verkwanseld. Zij kunnen het tegen Amerika opnemen zoals Al-Qaeda dat op 11 september 2001 heeft gedaan. Zij kunnen het tegen Israël opnemen zoals Hamas en de Islamitische Jihad dat dagelijks in Gaza doen. Zij kunnen het tegen de Israëlische legermacht opnemen zoals Hezbollah dat in Libanon doet. Door actie tegen de VS en Israël te ondernemen, verwerven deze bewegingen populariteit op de ‘Arabische straat’.

In Egypte heeft de Moslimbroederschap baat bij de volkswoede over de oorlog in Libanon. Evenals Hezbollah heeft deze broederschap een militie, zij het dat deze ondergronds is. In Jordanië betwisten radicale moslims de macht van de koning en kritiseren hem op grond van zijn vermeende onvermogen om het hoofd te bieden aan Israël en de VS.

De uitdaging voor de staat van islamitische bewegingen reikt van Noord-Afrika tot aan de Golf. In Algerije blijft het risico van een hernieuwde burgeroorlog bestaan. In Tunesië blijven de islamitische Nahda-bewegingen bijzonder sterk. Het uiteindelijke doel van Osama bin Laden is de overname van de Saoedi-Arabische staat. In Palestina heeft Hamas de verkiezingen gewonnen. In Koeweit vormen de radicale moslims een meerderheid in het parlement. De shi’itische moslims in Bahrein rebelleren voortdurend tegen het koninkrijk. De Unie van Islamitische Rechtbanken heeft in Somalië de macht overgenomen.

De Arabische staat wordt niet alleen verzwakt door interne dynamiek maar ook door veranderingen in de strategische omgeving in het Midden-Oosten en daarbuiten. De rivaliteit tussen Iran en de VS om de hegemonie in het gebied leidt tot twee concurrerende politieke projecten die de Arabische regeringen ondermijnen. Teheran ondermijnt ze van binnenuit door steun aan groepen als Hezbollah, terwijl de VS ze van buitenaf ondermijnen: in de ogen van de heersende Arabische elites is de druk van Washington om te democratiseren een machtswisseling met andere middelen.

Prins Saud al-Faisal, de Saoedische minister van Buitenlandse Zaken, beklaagde zich erover dat Washington Irak had uitgeleverd aan Iran en aan de Iraanse bondgenoten binnen Irak. De Egyptische president Hosni Mubarak acht de shi’itische moslims in de Golf trouwer aan Iran dan aan hun eigen land. Koning Abdullah van Jordanië heeft gewaarschuwd tegen de toename van de shi’itische macht en de dominantie van Iran over de Arabische politiek, en dat de shi’itische halvemaan de meest directe bedreiging voor Jordanië vormt.

Terwijl de Arabische regeringen en hun media de nadruk leggen op de Iraanse dreiging, hameren politieke bewegingen als Hezbollah en de Moslimbroederschap juist op de dreiging van de VS. Wat we nu zien in Libanon en Irak zou dan ook het begin kunnen zijn van een oorlog tussen de Arabische sunnitische landen en het shi’itische Iran en zijn satellieten.

Dit bredere kader maakt de toestand in Libanon nog gecompliceerder. De Israëlische aanval op Hezbollah drukt de Libanese regering nog meer in de marge en dat maakt Hezbollah machtiger – bijna tot een feitelijke staat. In hoofdsteden als Caïro en Rabat wordt de Hezbollah-vlag gehesen. Het gevolg hiervan is dat de centra in het Midden-Oosten waar matiging wordt gepreekt, worden ondermijnd.

Als de fundamentalistische groeperingen in het Midden-Oosten steeds meer de overhand krijgen, zal het politieke leven in hoofdzaak worden overheerst door stamgevoelens en godsdienstige hartstochten. De VS en de rest van de wereld zouden rekening moeten houden met de zorgen van de gematigde staten en de gematigde elementen binnen de moslimmaatschappijen – anders zou de wens van Washington om een ‘nieuw’ Midden-Oosten te scheppen wel eens tot een heel oude versie kunnen leiden.

Om dit te vermijden, hebben de VS en Europa geen andere keus dan de schaal te laten doorslaan ten gunste van gematigde regeringen. Eén mogelijkheid zou zijn om een internationale conferentie te beleggen zoals die in Madrid in 1991 na de eerste Golfoorlog, en daar het probleem bij de wortel aan te pakken: een oplossing van het Palestijnse vraagstuk door de wereld achter de gedachte van twee staten te krijgen. Alleen dan kan de wereld de radicale moslims hun ultieme lokroep ontnemen, het Midden-Oosten weer uit handen van de radicale bewegingen krijgen en het terugbrengen in de wereld van de natiestaten.

Mamoun Fandy is directeur van het Midden-Oostenprogramma aan het International Institute of Strategic Studies in Londen. Dit artikel verscheen eerder in de Financial Times.