Namedropping

Een steil pad voert van het oude klooster naar de hoofdstraat beneden. Het pad is genoemd naar Genoveva, de stichteres van het klooster, die in de achttiende eeuw zelf van deur tot deur aalmoezen vroeg om de financiën rond te krijgen. Als een kikvors daalde je tot voor kort het pad af, hobbeldehobbel, zo vol uithollingen overdwars zat het.

Vlak na de opening van het hotel werd het Genoveva-pad opnieuw bestraat, met glimmende, symmetrische klinkers. De oeroude granieten stenen die er eerst lagen mochten we weghalen en we hebben daar nog een knap muurtje van kunnen bouwen, langs het Romeinse pad achter ons huis.

Via Romana, zo heet hier elke primitieve weg, lopend van niks naar niks. Ooit schijnt in deze streek een subtiel netwerk te hebben bestaan, van Augustuspolis naar Cleopatravilla en van Neroburcht naar Julianusrivier, maar wat resteert is een kilometertje hier en een lus daar, voorgoed onderbroken door een recenter wegennet dat heel andere uitvalspunten en aankomsthavens kent.

Een Via Romana is smal en bevindt zich doorgaans tussen twee wallenkanten – een verzonken route met grove keien om de hoeven en wagenwielen bij regenval greep te verschaffen. Ben Hur op zijn zegekar zie je daar niet zo snel doorheen draven. ’t Is meer een pad voor de trage herder met de schommelende ossenwagen.

Vila Pouca wordt doorsneden door drie flarden Via Romana en het fragment achter ons huis loopt parallel aan een onderaardse gang. In een waterput kun je de ligging van de gang duidelijk zien. Een manshoge koker, tenminste voor een man die zich bukt. Volgens de dorpelingen maakte de gang deel uit van een ondergronds stelsel van vluchtwegen rondom het klooster. Tijdens de Napoleontische oorlogen, berucht om hun plunderingen van kerkzilver, zouden er nog nonnen door die tunnels zijn ontsnapt. Nonshoge kokers, had ik dus moeten zeggen.

Romeinen, Napoleon en nu wij, wat wonen we op een historisch lapje aarde.

Terug naar het Genoveva-pad, van de ene op de andere dag in het nieuw gestoken.

Vijf minuten te voet dat pad af en je bent van de hotelbar met zijn kristal en Davidoff-sigaren in het dorpscafé met zijn formica en reclamebord voor het allang verdwenen sigarettenmerk Definitivos. De deur naar de dorpsstraat staat ’s zomers en ’s winters open. Overdag is het binnenin aardedonker en bij kou knopen de klanten hun jassen dicht. Het uithangbord meldt trots: Café De Alentejaan.

De bazin heet Conceição, haar man werkte jarenlang in Frankrijk en geen van beiden heeft iets te maken met de Alentejo. Hun ouders en grootouders zijn evenmin in die provincie geboren. In het dorp verderop heeft men een café dat De drie Parijzenaars heet en dat wordt gedreven door een eenzame Spanjaard.

Door de openstaande deur kijken de klanten uit op het oude kerkhof, dus wordt er veel gelachen in het café. ‘Hier wordt alleen krediet verleend aan tachtigplussers in gezelschap van beide ouders’, staat er op een vergeeld en krakkemikkig ingelijst kartonnetje. Ook de humor hier is oeroud.