‘Het gaat trager dan de natuur nodig vindt’

Een topambtenaar van VROM wordt hoofd van het klimaatbureau van de VN. Hij gaat er onder meer het klimaatbeleid voor na 2012 ontwikkelen. „CO2 heeft een prijs gekregen.”

Topambtenaar Yvo de Boer van het ministerie van VROM is benoemd tot hoofd van het klimaatbureau van de Verenigde Naties in Bonn. De organisatie telt tweehonderd medewerkers en geeft ondersteuning aan landen die het klimaatverdrag van Kyoto hebben ondertekend, bij het ontwikkelen en uitvoeren van hun klimaatbeleid. De Boer gaat op 1 september aan de slag.

U bent de opvolger van de vorig jaar overleden Joke Waller. Is het niet opmerkelijk dat de VN nu wéér een Nederlander heeft benoemd?

„Het is vooral bijzonder dat een Europeaan is benoemd, omdat onlangs ook al op twee hoge posten op milieugebied Europeanen zijn benoemd, namelijk bij het VN-milieuorganisatie UNEP en bij de organisatie Global Environment Facility, de GEF, die VN-programma’s financiert. De selectieprocedure heeft ook erg lang geduurd, ongeveer acht maanden. Er zijn nog extra kandidaten aangezocht uit vooral ontwikkelingslanden. Maar uiteindelijk heeft men toch mij benoemd.”

Waar gaat u zich voor inzetten?

„Dat is in de eerste plaats het implementeren van het huidige Kyoto-protocol voor de periode 2008-2012. Verder zullen we klimaatbeleid ontwikkelen voor het tijdperk daarna. Dat is hard nodig, want het Kyoto-protocol heeft een zeer bescheiden doelstelling, en grote landen zoals Amerika en Australië hebben het protocol niet ondertekend. Andere grote landen, zoals China, India en Brazilië, zijn vrijgesteld van de plicht om de uitstoot van broeikasgassen te reduceren.”

U noemt de doelstellingen van Kyoto zeer bescheiden?

„In het Kyoto-protocol is afgesproken de uitstoot van CO2 mondiaal te reduceren met 5 procent ten opzichte van 1990. Maar de Europese Unie heeft onlangs uitgesproken dat de reductie in 2020 door industrielanden 15 tot 30 procent moet bedragen, en in het midden van de eeuw 60 tot 80 procent. Daarvoor zal dus veel moeten gebeuren.”

U heeft veel ervaring als klimaatonderhandelaar voor Nederland. Gaat het voeren van klimaatbeleid niet erg traag?

„Ja, het gaat trager dan nodig is. Trager dan wat de natuur ons zegt dat nodig is. Maar wat er in Kyoto destijds is afgesproken, is toch een geweldige prestatie. In Europa wordt gewerkt aan een reductie van 8 procent, en bovendien is binnen Europa een geheel nieuw emissiehandelssysteem ontwikkeld waar we op kunnen voortbouwen. CO2 heeft een prijs gekregen.”

Hoe schat u de huidige mondiale politieke wil in voor klimaatbeleid?

„Dat Amerika het protocol destijds niet heeft geratificeerd is natuurlijk een grote teleurstelling geweest. Verder zijn er veel Oost-Europese landen die de afgelopen jaren veel moeite hebben gedaan om lid te kunnen worden van de Europese Unie, en die nu bepaald niet staan te trappelen voor aanvullende doelstellingen. En ook vrezen grote landen zoals Zuid-Afrika, China, India en Brazilië dat het westen hun maatregelen oplegt die de groei van hun economieën kunnen beperken. Het is een uitdaging om daar verandering in te brengen. Het is ondenkbaar om zonder de steun van grote landen verder te gaan.”

Is die steun realistisch? Hoe wilt u die uitdaging aangaan?

„We zullen de komende jaren instrumenten moeten ontwikkelen om de kosten van klimaatbeleid voor ontwikkelde landen te beperken en tegelijkertijd de zich onwikkelende landen te helpen schoner te produceren en arme landen te helpen zich aan te passen aan de klimaatverandering. We zullen daar zelf aan werken, maar ook ook zullen we aansluiten bij initiatieven van anderen. Zo heeft het Verenigd Koninkrijk onlangs als voorzitter van de G8 voorgesteld om de Wereldbank investeringplannen te laten maken. Uit de eerste berekeningen blijkt dat een geldstroom van jaarlijks ongeveer 100 miljard dollar genoeg is om het mondiale energiebeleid te vergroenen.”

Is dat niet veel geld voor het westen?

„Het is niet veel als je het afzet tegen de totale kosten voor energie. Er wordt ook veel verdiend aan de investeringen door het bedrijfsleven. Het Internationaal Energie Agentschap heeft uitgerekend dat er de komende twintig jaar zo’n 16 biljoen dollar nodig is om te voldoen aan de mondiale energievraag, dat wil zeggen 16 keer duizend miljard dollar.”