Geen senaat, wel meer overleg

Hoewel Hans Wijnberg in zijn analyse van de universitaire problemen een eind in de goede richting komt, blijft hij toch te veel aan de oppervlakte (Opiniepagina, 26 juli). Twee misverstanden liggen ten grondslag aan zijn oproep tot terugkeer van een Academische Senaat. In de eerste plaats is dat de gedachte dat onze universiteiten door en door verrot zijn. Het tweede misverstand is dat een vergadering van hoogleraren de zaak ten goede zou kunnen keren.

Natuurlijk is er veel mis aan de Nederlandse universiteiten. Maar dat is ook het geval aan de Duitse, de Franse en zelfs de Amerikaanse universiteiten die tegenwoordig gelden als het grote voorbeeld.

De Utrechtse kwestie waaraan Wijnberg refereert, is een voorbeeld waarbij een op zich niet zo ingewikkelde kwestie het thema wordt van een grote uitbarsting van ongenoegen.

Het bestaande ongenoegen heeft een financiële achtergrond die de druk op het personeel groot maakt. Daarnaast is er de steeds grotere afhankelijkheid van andere financieringsbronnen buiten de de universiteit, waardoor een opgeklopte sfeer van concurrentie en dikdoenerij ontstaat. Wat echter wordt vergeten, dat is dat juist die financiering van buitenaf voor veel leden van het docentenkorps de mogelijkheid biedt om er eens een tijd tussenuit te gaan, een boek te schrijven, naar het buitenland te gaan. Wie zich herinnert wat dertig jaar geleden de mogelijkheden waren voor vrijstellingen en buitenlands verblijf, zal niet meer zo snel het huidige bestel in de ban doen.

Wat het verdwijnen van de Senaat betreft, is Wijnbergs analyse juist, maar zijn oplossing niet. Wat stelt hij zich voor bij een senaat van een paar honderd hoogleraren? Hoeveel bestuurlijke slagkracht heeft zo’n orgaan? Of stel dat het een senatus contractus zou zijn, uit hoeveel personen zou die dan moeten bestaan? En bovendien, er bestaat al zoiets: er is het college van decanen dat aan een redelijke universiteit toch al gauw uit vijftien hoogleraren bestaat.

Wat Wijnberg echter denkt, dat is dat een groep hoogleraren qualitate qua veel bestuurlijk vernuft in zich draagt. Dat is natuurlijk maar de vraag. Dat de senaten zijn afgeschaft had andere redenen dan het geschreeuw van linkse studenten. Lees er de rectorale redes sinds de Tweede Wereldoorlog maar op na: zonder uitzondering komt ieder jaar de noodzaak van een professioneel bestuur aan de orde.

Waaraan Wijnberg wel gelijk heeft, is dat er een informatiekloof bestaat tussen bestuur en personeel. En niet alleen op het niveau van het college van bestuur, maar in alle geledingen. Sinds in de jaren negentig de Wet op de Universitaire Bestuurshervorming (WUB) ingeruild werd voor de wet op de Modernisering Universitair Bestuur (MUB) is die kloof ontstaan. In een poging het eindeloze vergaderen te bestrijden is gekozen voor een topdown model waarbij voorzitters van vakgroepen instituutsdirecteuren zijn geworden en decanen alleenheersers. Dat is nodig om de slagkracht te behouden. Maar helaas is dit te ver doorgeschoten.

Het werkelijke probleem is het gebrek aan raadpleging. Maar een senaat zal dat niet verhelpen. Daarvoor moet meer gebeuren.

Leen Dorsman is bijzonder hoogleraar universiteitsgeschiedenis Universiteit Utrecht.

Het artikel van Hans Wijnberg is na te lezen op www.nrc.nl/opinie