Eenzame kunst in Luxemburg

Luxemburg heeft een nieuw museum voor moderne kunst, het Mudam.

Alles lijkt er om het gebouw te draaien. Zelfs de kunst is er aan ondergeschikt.

Van buiten ziet het gebouw van het Mudam eruit als een onneembare vesting; een massieve blokkendoos zonder ramen, bekroond met een 33 meter hoge glazen koepel. Eenmaal binnen in het door de beroemde Chinees-Amerikaanse architect I.M. Pei (1917) ontworpen gebouw krijg je het gevoel dat je een tempel bent binnengewandeld. Het licht valt in brede banen door het glazen dak naar binnen en is zo fel dat sommige bezoekers hun zonnebril ophouden. Het is oorverdovend stil in het museum. De paar mensen die er rondlopen praten automatisch op gedempte toon.

Vrijwel niets in het Mudam leidt de aandacht af van de overweldigende architectuur: geen opdringerige sponsorlogo’s of zaalteksten, geen tentoonstellingsposters en geen bewegwijzering. Zelfs de kunst waarom het in een museum als dit zou moeten draaien, heeft een ondergeschikte rol. Spaarzaam zijn de beelden, video’s en schilderijen van de openingstentoonstelling Eldorado door het gebouw verspreid – alsof ze louter als decoratie mogen dienen. In de beeldengalerij zijn de grillig gevormde sculpturen van de Engelse kunstenaar Richard Deacon zo terloops op de eikenhouten museumvloer gelegd, dat je er haast aan voorbij zou lopen. En in Galerie 1 lijken de portretfoto’s van de Fransman Charles Fréger gedegradeerd tot wandvulling van de ‘boutique’, die in dezelfde ruimte gevestigd is.

Bijna twintig jaar lang was het Musée d’Art Moderne Grand-Duc Jean (nu afgekort tot Mudam) een stichting met een bescheiden collectie zonder vast onderkomen. Het idee voor de bouw van een museum voor moderne kunst – het eerste in Luxemburg – werd al in 1987 geopperd door de toenmalige premier Jacques Santer. Maar pas in 1990 kregen de plannen echt vorm toen architect I.M. Pei, bekend van onder meer de glazen piramide van het Louvre, aan de ontwerpopdracht begon. Het was het begin van een lang en geldverslindend project, dat vanwege hevige protesten en juridische conflicten meermalen moest worden stilgelegd. „Stop, start, stop, start”, zo omschreef Pei zijn Luxemburgse avontuur in The New York Times. Veel Luxemburgers waren het niet eens met de locatie van het museum, een archeologische plek. Maar vooral de hoge bouwkosten van Pei’s museum – 88 miljoen euro, geheel gefinancierd door het Luxemburgse ministerie van Cultuur – waren de belastingbetalers een doorn in het oog. Uiteindelijk kon de bouw pas in januari 1999 beginnen, waarna nog enkele jaren vertraging werden opgelopen door een verkeerde aanbesteding van de zachte Magny Doré-stenen uit de Bourgogne, een van Pei’s handelsmerken.

Het Mudam meet 10.000 vierkante meter en beschikt over 4800 vierkante meter expositieruimte verdeeld over drie etages. Veel ruimte is opgegaan aan majestueuze trappen, overbodige halletjes, balustrades, gangen en nissen – vaak met hoge ramen, die uitzicht bieden op de onderliggende verdedigingswallen en de groene omgeving. Maar wat er overbleef aan expositieruimte is schijnbaar meer dan genoeg om de bescheiden collectie van het Mudam te huisvesten. Een video van Bruce Nauman wordt op een monitor afgespeeld in een verder lege zaal. Een uit hout gehakt landschap van de Duitse beeldhouwer Stephan Balkenhol hangt eenzaam in de lobby. Het nieuwe huis is eindelijk af, maar er zijn nog niet genoeg meubels om het te vullen.

Hoe langer je door het museum dwaalt, hoe meer je de indruk krijgt dat Pei’s museum een paar maten te groot is voor een klein land als Luxemburg. Hadden de opdrachtgevers niet beter een iets minder megalomaan gebouw kunnen bestellen, zodat er meer geld overbleef voor nieuwe aankopen? Het afgelopen jaar moest directrice Marie-Claude Beaud het doen met 825.000 euro, een gering bedrag wanneer je het vergelijkt met bijvoorbeeld de 75 miljoen euro die het MoMA in New York jaarlijks te besteden heeft.

Op de markt voor moderne kunst speelt het museum dan ook geen enkele rol. Het Mudam bezit geen Picasso’s of Matisses, maar richt zich op kunst van na 1980. De naam Musée d’Art Moderne is dus misleidend – d’Art Contemporaine was toepasselijker geweest. Tweehonderddertig kunstwerken van hedendaagse kunstenaars bezit het museum inmiddels, onder wie grote namen als Shirin Neshat, Richard Long, Thomas Struth en Pipilotti Rist. Sommige installaties – vaak de meest geslaagde bijdragen aan de tentoonstelling – zijn door de kunstenaars speciaal voor het Mudam gemaakt. De indrukwekkende kroonluchter die de Amerikaanse Nari Ward van lege flessen maakte, is bijvoorbeeld zo afgestemd op de architectuur van Pei dat je je niet kunt voorstellen dat hij elders beter tot zijn recht komt. Datzelfde geldt voor de uit plaatstaal opgetrokken gotische kapel van de Belg Wim Delvoye, dat hopelijk tot de permanente opstelling gaat behoren.

Maar het merendeel van de kunstwerken lijkt zich niet echt thuis te voelen in het pompeuze, formalistische gebouw. Pei mag dan veel ervaring hebben met museumarchitectuur (dit jaar worden ook musea van zijn hand in China en Quatar geopend), een museum voor hedendaagse kunst bouwde hij nog niet eerder. En anders dan bijvoorbeeld het Louvre, waar eeuwenoude kunstschatten worden bewaard en waar een sacrale sfeer wel passend kan zijn, stelt een hedendaagse expositieplek andere eisen. Het zou een levendige plek moeten zijn, waar je de energie van een nieuwe generatie beeldenmakers zou moeten kunnen voelen. Een plek waar het spettert, waar herrie en rumoer is, en waar je graag gezien wilt worden, al was het maar in het museumcafé.

Het Mudam is het tegenovergestelde van zo’n plek. Alles in dit museum is esthetisch verantwoord, maar daardoor ook steriel en bloedeloos. Orde, regelmaat en symmetrie lijken de sleutelwoorden van de inrichting. Het is alsof je op bezoek bent in het huis van een minimalistische designfreak, maar op geen van zijn fraaie fauteuils durft te gaan zitten uit angst dat je ze vuil maakt. In de leeshoek liggen de juiste kunsttijdschriften op tafel, maar er is niemand die ze leest. Het restaurant is door Erwan & Ronan Bouroullec vormgegeven als een moderne vreetschuur, met lange houten tafels onder een geschubd dak van stoffen design-dakpannen. Maar er is niemand die er plaatsneemt. Zelfs het eten dat je voorgeschoteld krijgt – de catalogus rept over ‘gekke en kleurrijke gerechten’ – is door de Luxemburgse chef Léa Linster samen met kunstenaars ontworpen.

Hoe anders is de sfeer in bijvoorbeeld het Casino Luxemburg, een kunstinstelling in het centrum van de stad, temidden van de winkelstraten en de terrassen. Dit museum zonder eigen collectie, een soort kunsthal, organiseert sinds 1996 exposities met hedendaagse kunst in het voormalige Casino Bourgeois. Het laatnegentiende-eeuwse gebouw is met zeer eenvoudige middelen geschikt gemaakt voor tentoonstellingen, voornamelijk door witte voorzetwanden voor de oude, rijk gedecoreerde muren te zetten. Het oogt als een ratjetoe, maar de kunst komt er wel degelijk tot zijn recht. En belangrijker: hier durf je als bezoeker op de grond te gaan zitten om bijvoorbeeld de spreuken te lezen die kunstenaar Nedko Solakov met stift op het stucplafond heeft geschreven.

In het Mudam zou het ondenkbaar zijn dat een kunstenaar zijn hartenkreten mag achterlaten op het plafond. De Franse kunstenaar Marc Couturier bekraste weliswaar de muren van een van de zalen van top tot teen met zijn zenuwachtige kronkels, maar bleef daarbij wel netjes binnen de lijntjes. Zijn muurtekening is zodoende meer behang dan kunstwerk. Het is bijna een verademing om te zien dat in de glazen balustrade rond de wenteltrap een grote barst is geschoten, die provisorisch is dichtgeplakt met tape. Eindelijk een teken van leven in een verder zo doods gebouw.

Met het Mudam had Luxemburg willen laten zien dat het meer heeft te bieden dan bankzaken alleen. Met dit museum hadden de Luxemburgers hun toch wat gezapige imago willen afschudden. Het liep anders. Hun gloednieuwe kunstpaleis is nu al niet meer van deze tijd. Sterker: het Mudam is nooit van deze tijd geweest.