Een vierbaansweg rijt Banff in tweeën

Hoe koestert een land zijn natuur? Onze correspondenten reizen deze zomer langs natuurparken. Canada verbreedt de weg door een park met beren en wapiti’s.

Opeens doemt hij op, recht vooruit, in de verte, op de snelweg die het Canadese Banff National Park doorkruist: een wapiti, een groot hoefdier dat in afmeting ongeveer het midden houdt tussen een hert en een eland. Doodrustig kuiert hij de weg over, het gewei statig in de hoogte – alsof je eraan herinnerd moet worden dat je niet met een van deze jongens in botsing wilt komen. Een tweede volgt, op weg naar het groen aan de overkant. En een derde. Remmen!

Het is het soort scènes die van het Banff National Park, aan de oostkant van de Canadese Rockies, een grote trekpleister maken. Jaarlijks komen honderdduizenden toeristen uit vooral Noord-Amerika, Europa en Japan naar het park, wellicht het bekendste van het land. Ze komen voor het spectaculaire landschap dat je je bij Canada voorstelt – besneeuwd hooggebergte, rustieke meren en frisse bebossing. Daarnaast is er de zekerheid dat je er wilde dieren tegenkomt, variërend van herten en elanden tot wolven, zwarte beren en grizzlyberen.

Het park is zeer toegankelijk, juist omdat er een weg doorheen loopt. Maar daarin schuilt tevens een dilemma. Om het toenemende verkeer in het park – in de zomermaanden gaan er per dag gemiddeld 25.000 voertuigen voorbij – in goede banen te leiden, wordt de snelweg van 78 kilometer in fases verbreed, van twee banen naar vier. Dat is goed voor het gemak en de veiligheid van de toeristen. Het is minder goed voor het dierenleven, dat zijn natuurlijke leefomgeving in tweeën gespleten ziet door een dubbele snelweg met hekken aan weerszijden.

De verbreding van de weg gaat daarom gepaard met ‘s werelds grootste project van oversteekplaatsen voor wilde dieren. Langs de 45 kilometer snelweg die sinds de jaren tachtig is verdubbeld, zijn in totaal 24 oversteekplaatsen gebouwd, in verschillende soorten en maten. De 33 kilometer die nog moet worden vernieuwd zal worden uitgerust met nog eens achttien oversteekplaatsen.

„Dit is het enige beschermde gebied in Noord-Amerika waar een grote verkeersader doorheen loopt”, zegt Tony Clevenger, een wetenschapper van de Montana State University. Hij doet onderzoek naar het gebruik van de oversteekplaatsen door wilde dieren. „De snelweg heeft twee grote gevolgen voor het dierenleven: dieren worden er doodgereden, en hun leefgebied wordt in tweeën gedeeld.” De diersoorten van Banff zijn niet officieel bedreigd, maar staan wel „onder druk”, zegt hij. „Het gevaar bestaat dat hun leefgebied zo versnipperd raakt, dat de dieren verdwijnen.”

Clevenger neemt deel aan een langdurige en grootschalige studie naar de effectiviteit van de oversteekplaatsen. Sinds 1996 doet hij onderzoek naar het gebruik van de tunnels en bruggen door het overstekend wild van Banff, met als doel beter inzicht te krijgen in wat werkt en wat niet.

De studie wordt ondersteund door het zogeheten Y2Y-project, een Amerikaans-Canadese groep natuurbeschermers die zich inzet voor het behoud van het ecosysteem dat strekt van Yukon, in het noordwesten van Canada, tot Yellowstone, het befaamde Amerikaanse natuurpark. Nergens ter wereld is of wordt op zo’n schaal onderzoek gedaan naar het effect van wildtunnels en -bruggen als in Banff.

Voor de verkeersveiligheid zijn de omheiningen en oversteekplaatsen een groot succes, zegt Clevenger. Aanrijdingen met wilde dieren zijn met meer dan 80 procent afgenomen. „We sparen een hoop dierenlevens, en voorkomen bovendien menselijke verwondingen en autoschade.”

De nadruk van het onderzoek van Clevenger ligt echter op de rol van de bruggen en tunnels bij de bevordering van ‘connectiviteit’ van het dierenleven in de regio. Sinds 1996 hebben Clevenger en zijn collega-onderzoekers meer dan 70.000 passages gemeten van tien soorten grote zoogdieren over de bestaande bruggen en tunnels. Daaruit is onder andere gebleken dat grizzlyberen, wolven, herten en elanden de voorkeur geven aan open, brede tunnels en bruggen, terwijl zwarte beren en lynxen afgeschermde, nauwere tunnels verkiezen.

Het kan echter jaren duren voordat de wilde dieren de oversteekplaatsen voldoende vertrouwen om er gebruik van te gaan maken. Schuchtere dieren, zoals grizzlyberen en wolven, wachten soms wel vijf jaar voordat ze de oversteek wagen.

Het gebruik door de dieren wordt op verschillende manieren gemeten. Stroken zand die de breedte van een brug of tunnel beslaan dienen om sporen vast te leggen. Ook zijn er digitale camera’s geïnstalleerd die foto’s maken op het moment dat een dier een bundel infrarood licht passeert. Tot slot is er dubbel prikkeldraad gespannen waar de overstekende dieren doorheen moeten klimmen; daarop blijven stukjes vacht zitten die worden gebruikt voor DNA-onderzoek. Hieruit blijkt of het vooral mannelijke of vrouwelijke dieren zijn die oversteken, en of het gaat om verschillende dieren, of veelal om hetzelfde dier dat meerdere malen passeert.

Clevenger parkeert zijn auto in de berm van de snelweg en stapt uit bij een van de meest geavanceerde oversteekplaatsen: een wildbrug van vijftig meter breed. Een glooiend bouwwerk is het, met een laag grond van zo’n twee meter hoog met begroeiing erop. Aan de zijkanten schermen opgehoogde bermen het lawaai van het passerende verkeer af. In het midden van de brug bekijkt Clevenger de zandstrook. En ja, hoor: verse sporen van een kleine zwarte beer – een zoveelste teken dat de brug het gewenste resultaat heeft. De zwarte beer moet deze ochtend voorbijgekomen zijn, stelt Clevenger vast.

„Onze uitdaging is om hier een levensvatbare populatie te onderhouden, ondanks de menselijke activiteit”, zegt Clevenger. „De onderlinge verbinding van de dieren is essentieel voor de gezondheid van de bevolking. Daarom is het van belang dat we de oversteek van de dieren bevorderen met een veilige, ‘groene’ snelweg. Op deze manier handhaven we de biodiversiteit van het ecosysteem.”