‘Winnen moet winnen!’

Willywell, die ging het worden, het was zonneklaar. „Want Willy wil wel”, zei ik stellig. Vol goede hoop leverde ik mijn briefje in bij de chagrijnige barman. Het was druk in het Café des Sports op de Place de l’Eglise. De mannelijke helft van het dorp had zich in het rokerige café verzameld. Wedden op paarden kan in Frankrijk elke dag, maar op zondagochtend is het net zo gewoon als de vele glazen Ricard die de weddenschap begeleiden.

Willywell. Met zo’n naam kon het niet anders of ik zou dezelfde dag nog de winnaar zijn van een klein fortuin, zo kon ik op de kleine televisie in de hoek van het café aflezen. Prijzen van zeshonderd euro waren de vorige week in nog dit café uitgereikt. Om nog maar te zwijgen van de échte prijzen in de rest van het land. Tons de euro’s! Ik droomde mijzelf alvast een bescheiden huisje hier in het rustieke midden van La Douce France.

Nomen est omen, zo had ik reeds op jonge leeftijd geleerd. In de zomer van 1982, ik was zes, stond ik met mijn vader en mijn broer in de brandende zon op de Joux Plane, een col hors categorie. Zwaaiend met vlaggetjes van Crédit Lyonnais en een petje van Banania op ons hoofd stonden we klaar om onze jongens aan te moedigen. Er was voor mij geen twijfel mogelijk over wie er als eerste zou finishen. Vanaf het moment dat mijn vader zijn magische naam had uitgesproken, was het me duidelijk geweest. Peter Winnen zou winnen, natuurlijk zou dat zo zijn. „Winnen moet winnen! Winnen moet winnen!” schreeuwde ik naar het eerste ploegje hardwerkende renners dat voorbij kwam, ook al had ik geen idee hoe deze meneer Winnen eruit zag. Peter Winnen behaalde die dag een van de mooiste overwinningen uit zijn carrière.

Willywell was wars van het namenprincipe of hij sprak geen Nederlands. Willywell wilde niet en liet mij berooid achter. Zondag wordt het Monfils Monfils. Achter die naam vermoed ik een verhaal van een boer die zijn beide zoons kwijtraakte en slechts één paard had om naar zijn zoons te vernoemen.