Veerman ontkent per brief misbruik van dienstauto

Minister Veerman (Landbouw, CDA) ontkent de geldende regels te hebben geschonden tijdens reizen met zijn dienstauto naar zijn tweede huis in de Dordogne in Frankrijk. Dat blijkt uit een brief die Veerman vandaag mede namens premier Balkenende en minister Remkes (Binnenlandse Zaken, VVD) naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

Vorige week bleek uit onderzoek van deze krant dat Veerman regels voor het gebruik van de dienstauto had overtreden en ten onrechte vliegkosten had gedeclareerd. In de brief schrijft Veerman dat hij in de vier jaar van zijn ministerschap twee keer na afloop van zakelijke afspraken in Parijs met de dienstauto met chauffeur naar de Dordogne is gereden. Het betrof in totaal 1.370 kilometer. In het zogenoemde Voorzieningenbesluit, waar de regels voor het gebruik van de dienstauto in zijn opgenomen, staat dat „om redenen van bereikbaarheid en veiligheid bewindspersonen worden geacht zich zowel zakelijk als privé zoveel mogelijk per dienstauto met chauffeur te verplaatsen, behalve bij vakantiereizen naar het buitenland”. Voorts is het de afspraak terughoudend te zijn met een combinatie van werk- en privé-reizen. Volgens Veerman past 1.370 kilometer in vier jaar binnen die terughoudendheid.

Twee andere ritten naar de Dordogne heeft de minister met de dienstauto gemaakt, maar zonder chauffeur. Hij betaalde zelf de kosten voor de 3.635 gereden kilometers. Veerman merkt op drie dienstreizen (in totaal 3.400 kilometer) voor eigen kosten gemaakt te hebben met zijn eigen auto wegens uitval van de dienstauto.

Twee reizen naar de Dordogne per vliegtuig – waarbij vier topambtenaren en hun partners aanwezig waren – waren bedoeld als teambuilding. Normaal gesproken vliegen partners niet mee op dienstreizen, maar er mag van deze regel worden afgeweken, aldus de brief. De partner van Veerman had een goede grond om mee te gaan, het gastvrouwschap. Volgens Veerman was het ook functioneel dat de andere partners meereisden. „De betrokken partners hebben mij desalniettemin te kennen gegeven tot betaling van de voor hen gemaakte kosten te zullen overgaan, teneinde de discussie daarover te kunnen sluiten.”