Uit schilderijen van Buffet is alle fut verdwenen

Tentoonstelling: Bernard Buffet. T/m 10 sept in Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderskade 41, Den Haag. Inl: 070-3381111, www.gemeentemuseum.nl

De titel van de tentoonstelling neemt potentiële critici al direct de wind uit de zeilen. Bernard Buffet: een omstreden oeuvre heet het overzicht van de Franse kunstenaar in het Gemeentemuseum Den Haag. Ja, we weten dat Buffets werk niet bepaald geliefd is in serieuze kunstkringen, lijkt het museum met de titel te willen zeggen. Maar, meldt het persbericht, er is sinds de jaren negentig een internationale herwaardering gaande. „Steeds meer kunstcritici schatten Buffets werk nu op waarde.”

Bernard Buffet (1928-1999) had een schare trouwe fans, onder wie Andy Warhol. De Amerikaanse popkunstenaar noemde zijn leeftijdgenoot „de laatste grote schilder uit Parijs”, zo staat bij de ingang van de expositie te lezen. Al tijdens Buffets leven werden in Japan twee musea geopend die geheel aan hem gewijd waren. Maar erkenning van serieuze kunstmusea bleef uit. Het Centre Pompidou heeft nooit werk van de schilder aangekocht – en dat stak hem. In 1999 pleegde Buffet zelfmoord.

Zijn entree in het naoorlogse Parijs, als zeventienjarige, was spectaculair geweest. Razendsnel maakte Buffet carrière met zijn voorstellingen van smoezelige interieurs die bevolkt werden door graatmagere figuren. Het was de tijd van het existentialisme, en Buffets zwaarmoedige voorstellingen, geschilderd op beddengoed omdat hij zich nog geen schildersdoek kon veroorloven, sloten daar goed bij aan. In een grillige, krasserige stijl schilderde Buffet zijn stokstijve mannen en vrouwen, hun vierkante hoofden haarscherp omlijnd met donkere contouren. Het palet van die vroege werken is grauw, de onderwerpen zijn treurig. Een scharminkelige man staat met zijn broek op zijn enkels naast een wc-pot, een anorexia-meisje houdt een gevilde kip omhoog.

De portretten die Buffet in de jaren vijftig maakte, hebben nog wel iets indringends. Met hun bleke gezichten en grote ogen zijn de personages mooi sereen. In 1960 schildert Buffet een haast abstracte zee, in zware, bruine tinten die vooruitwijzen naar het palet waar de Duitse schilder Anselm Kiefer later beroemd mee zou worden. Het is Buffet op zijn soberst.

Maar vier jaar later lijkt van die terughoudendheid niets meer overgebleven. In een reeks schilderijen van gevilde gezichten trekt Buffet alle registers open om de kijker bij de strot te grijpen. Bloedrood kleurt het vlees, diep zijn de wonden die door de schilder met veel agressie in de natte verf gekrast zijn. De dramatiek schiet zijn doel compleet voorbij. Het is holle pathetiek geworden.

Als in de jaren zestig de conceptuele en minimalistische kunst hun intrede doen, ogen Buffets schilderijen opeens hopeloos gedateerd. De kunstwereld kotst de schilder uit maar het grote publiek blijft hem trouw en bezorgt hem een flink salaris. Zijn galeriehouder Maurice Garnier besluit zich uitsluitend aan Buffets werk te wijden. De schilder zelf begeeft zich dan allang in de hoogste kringen van de jetset. Hij woont op een kasteel in zuid-Frankrijk en verplaatst zich in een Rolls Royce.

De laatste zalen van de tentoonstelling zijn vooral gevuld met landschappen en stadsgezichten. Het zijn schilderijen waaruit alle fut verdwenen is. De grachtenpanden aan de Singel in Amsterdam staan er gewoontjes bij, hun gevels netjes ingekleurd met verschillende tinten bruin. Buffet schilderde een levenloze versie van ons land – een eendimensionaal decor met molens tegen asgrauwe luchten en weides zonder vee. Alsof hij alleen Madurodam bezocht had.

In een halve eeuw tijd schilderde Buffet meer dan achtduizend werken. Het is moeilijk om dat gigantische oeuvre op waarde te schatten aan de hand van de kleine zeventig werken die het Gemeentemuseum toont. Zijn dit de hoogtepunten, of de tweederangs werken die zijn overgebleven? Alle doeken komen uit de kunsthandel van Garnier, andere bruiklenen zijn er niet aan te pas gekomen. Afgaande op de in Den Haag getoonde selectie hoeft Buffet in ieder geval niet alsnog in de kunsthistorische canon te worden bijgezet.