Patriot, geen socialist

Gisteren overleed in Cuba een vroege revolutionair die die zich als een van de eersten tegen Fidel keerde.

Gustavo Arcos Bergnes was er bij toen de jonge Fidel Castro in 1953 zijn eerste gewelddadige revolutionaire daad pleegde. Hij stierf dinsdag – even oud als de zieke Fidel – als een van de weinige dissidenten van het eerste uur die nog in Cuba wonen.

Arcos was de chauffeur van de auto waarmee de verzetsstrijders op 26 juli de Moncada-kazerne bestormden. De amateuristische aanval mislukte en Arcos raakte deels verlamd. Hij ging de cel in, maar kreeg amnestie in 1955.

In zijn ballingsoord Mexico sloot hij zich weer aan bij Fidel. Wegens zijn handicap maakte Arcos niet de oversteek naar Cuba voor de guerrilla tegen de dictatuur van Fulgencio Batista. Hij bleef achter in Mexico als partijchef van de 26 juli-beweging.

Na het slagen van Castro’s revolutie, begin 1959, kwam Arcos naar Havana. Hij werd vrijwel direct benoemd tot ambassadeur in België. Na zijn terugkeer in 1964 weigerde hij een ministerschap; hij wilde diplomaat blijven. Arcos had Castro leren kennen toen hij op de universiteit van Havana diplomatiek recht studeerde. Hij weigerde ook een post in Moskou.

In zijn afwezigheid was de regering-Castro sterk socialistisch geworden. Arcos was echter een patriot: hij was voor de revolutie uit nationalistische en niet uit communistische motieven.

Hierna ging het mis tussen Arcos en Castro. In maart 1966 werd hij opgepakt, een jaar later werd hij tot tien jaar cel veroordeeld wegens ‘contrarevolutionaire activiteiten’. Na drie jaar kwam hij vrij, maar mocht het land niet uit.

Na een vermeende vluchtpoging ging Arcos in 1981 opnieuw de gevangenis in. Daar leerde hij andere revolutionaire afvalligen kennen. Vanuit de cel begon hij een lobby tegen de erbarmelijke omstandigheden waaronder (politieke) gevangenen vastzitten. In reactie hierop verbeterde de regering het detentieregime licht.

Toen hij in 1988 weer vrijkwam nam hij leiding over een mensenrechtenorganisatie op zich en bleef hij aandacht vragen voor politieke gevangenen. Ook leidde hij de Fundación Hispano Cubana, die gelieerd is aan de Spaanse conservatieve oppositiepartij PP.

In 1990 vroeg hij Castro een ‘Nationale Dialoog’ te openen met alle sectoren van de Cubaanse maatschappij. Hij schaarde zich zo in het gematigde kamp van de dissidentenbeweging en haalde zich de woede op de hals van haviken in Miami die elke toenadering tot het regime afwijzen. Arcos laat zijn vrouw Teresa en één zoon na.