Pappen en nathouden tot er plek is

De Bureaus Jeugdzorg moeten kinderen beschermen die worden mishandeld.

Maar de hulp verloopt moeizaam en omslachtig.

De Bureaus voor Jeugdzorg bestaan pas een paar jaar maar ze lagen van meet af aan onder vuur. Ze zijn er om kinderen te beschermen. Elke keer dat een kind overlijdt, wijzen mensen met een beschuldigende vinger naar Bureau Jeugdzorg. Waren de wachtlijsten korter geweest, was het overleg tussen hulpverleners beter en de bureaucratie minder, dan hadden die kinderen nog geleefd. „De schuld ligt dan bij ‘een instantie’ en niet bij de ouders”, zegt Sylvia Verhoog, vertrouwensarts bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland in Gouda.

Savanna, de driejarige peuter die in 2003 overleed na langdurige mishandeling door haar moeder en stiefvader, werd symbool voor het falen van Jeugdzorg. Het meisje stond onder toezicht van een gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland. De gezinsvoogd schatte de situatie niet goed in en liet het meisje bij de moeder. Het is nog niet duidelijk of de gezinsvoogd strafrechtelijk wordt vervolgd. In Nederland overlijden jaarlijks naar schatting 50 kinderen aan mishandeling door ouders of stiefouders, tussen de 50.000 en de 80.000 worden mishandeld.

Tanja Appels, gezinsvoogd bij Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland in Leiden, zegt dat een zaak als Savanna ook haar zou kunnen overkomen. „Ik ben voortdurend aan het wikken en wegen. Welke beslissing is het meest verantwoord voor dit kind?” Haar cliënten denken meestal niet constructief mee. De gezinsvoogd is hen opgedrongen. „Een kind uit huis plaatsen ís traumatisch. Dat adviseer je alleen als het echt niet anders kan. Maar je weet nooit helemaal zeker of je de juiste beslissing neemt.”

In 2004 zochten 34.000 bezorgde buitenstaanders contact met een meldpunt. Bijna een kwart van de gemelde zaken werd in behandeling genomen door de Raad voor de Kinderbescherming, omdat ouders zich verzetten tegen bemoeienis. Het meldpunt Zuid-Holland heeft twee of drie keer per jaar te maken met het overlijden van een kind, zegt Sylvia Verhoog. „Dat heeft grote impact. Maar je kunt niet alles vóór zijn.”

Ze is afhankelijk van een melding. „Kindermishandeling moet je durven zien”, zegt zij. „Mishandelde kinderen liggen meestal niet bont en blauw in een hoekje. Ook verwaarlozing is kindermishandeling.”

Zelfs een huisarts ziet dat lang niet altijd. Zoals bij de depressieve, alleenstaande moeder met twee meisjes van een en drie jaar die Verhoog kort geleden bezocht. „Het viel me op dat de meisjes extreem rustig waren, apathisch bijna. Dat gedrag krijg je als ouders niet reageren op de pogingen van hun kinderen om contact te maken. Maar je moet het herkennen.”

En zelfs als de mishandeling gesignaleerd wordt, wil dat niet zeggen dat een kind snel geholpen wordt. Eerst bekijken hulpverleners in een ‘screening’ welke hulp kind en ouders nodig hebben. Dan volgt een ‘indicatie’ waarmee kind en ouders worden doorverwezen naar de instelling die de hulp biedt. Zo’n indicatierapport is weken lang in de maak.

Linda van den Stouwe werkt voor de afdeling screening en intake in Alphen aan den Rijn. Zij geeft toe dat haar werk voor een groot deel uit administratie bestaat. „Maar cliënten hebben recht op een goed onderbouwd besluit. En een indicatie is maar zes maanden geldig. Daarna is een herindicatie nodig. Zo staat het in de wet.” Vervolgens hebben veel van de instellingen waar Jeugdzorg naar verwijst, een wachtlijst.

De vijftien Bureaus Jeugdzorg moesten de zorg voor kinderen in nood efficiënter maken. Eén loket, wilde het kabinet, waar alle kinderen en ouders terecht kunnen voor opvoedingsproblemen – van vragen over bedplassen tot extreme mishandeling.

Maar critici vinden de weg via Bureau Jeugdzorg juist omslachtig. Betrokkenen worden opgezadeld met allerlei papieren ballast, schreef Felix Dronkers, beleidsmedewerker jeugdhulpverlening, vorige maand in het Tijdschrift voor Jeugdzorg. „Bureau Jeugdzorg is een dramatische, peperdure beslissing gebleken.”

Lisa Taffijn van Jeugdzorg Zuid-Holland komt soms in gezinnen waar het volledig uit de hand is gelopen; ouders met psychiatrische problemen of een verslaving, schulden, een slechte woning en zwaar verwaarloosde kinderen. Zij bekijkt welke hulp het gezin nodig heeft en of ze die willen accepteren.

De schroom van ouders om hulp te vragen is groot, constateert Linda van den Stouwe, van de intake in Alphen. „Ze voelen zich losers als ze om hulp vragen. Ze denken dat wij hun kinderen afpakken. Kinderen die hier komen, vragen vaak: ‘Moet ik nu naar een tehuis?’ Maar dat zijn alleen extreme gevallen.”

Bij lichte problemen, die in maximaal vijf gesprekken zijn af te handelen, blijft een cliënt ‘binnen’ bij Bureau Jeugdzorg. Alle andere problemen moeten ze doorverwijzen. Bart Groeneweg, algemeen directeur van de Bureaus Jeugdzorg Zuid-Holland en Haaglanden vindt dat een handicap. „Ik zou willen dat Bureau Jeugdzorg lichte hulp zelf zou kunnen bieden. Nu zijn er voor vervolginstellingen weer wachtlijsten.”

Dat kán vervelend uitpakken als een jongen van zestien intussen thuis de boel kort en klein slaat. Linda van den Stouwe: „Dan is het prettig als je intussen wel hulp mag bieden. Meestal is het pappen en nathouden tot het kind aan de beurt is ergens.”

Bij de crisisdienst bestaan geen wachtlijsten, er moet altijd hulp worden geboden in geval van crisis. De definitie van crisis: van langer wachten zouden dodelijke ongelukken komen. Dan begint het bellen langs instellingen. ‘Heb jij plaats? Voor één nachtje?’ Taffijn: „Een collega had laatst een kind bij zich met een luier en één schoen. Dan zoeken we hier wat kleding bij elkaar en gaan we bellen voor een crisisplaats. Laatst heb ik ’s nachts 100 kilometer gereden met twee baby’s. In de buurt was geen plek vrij.”

Kinderen van wie de ouders hulp weigeren, krijgen ook te maken met een wachttijd: zij moeten wachten tot de Raad voor de Kinderbescherming op verzoek van Bureau Jeugdzorg onderzoek heeft gedaan en advies heeft uitgebracht aan de kinderrechter. Als de kinderrechter besluit het kind onder toezicht te stellen dan komt de zaak terug bij Bureau Jeugdzorg, bij de gezinsvoogdij. Die procedure kan maanden duren. Directeur Bart Groeneweg vindt dat te omslachtig. „Wat mij betreft”, zegt hij, „mag de Raad worden opgeheven. Zij doen het onderzoek dat Bureau Jeugdzorg al deed, nog eens dunnetjes over. Als mensen zeggen dat de jeugdzorg bureaucratisch werkt, hebben ze híer een punt. Alleen kunnen we er weinig aan doen, zo staat het in de wet.”